Doe als eerste geen kwaad in de Jeugdzorg

We schuiven te vaak met kinderen en hulpverleners met vaak ernstige – en langdurige – gevolgen voor de ontwikkeling van kinderen die van instelling naar instelling zwerven. Gemeentelijke Jeugdzorg zou kinderen moeten helpen en de gevolgen van verwaarlozing, misbruik en mishandeling niet erger maken.

In de transitie van de jeugdzorg van provincie naar gemeente hebben we de zorg voor jeugd (waaronder de jeugdhulp) flink op de schop genomen: alles zou beter (en goedkoper) worden. Dat er in werkelijkheid veel onzekerheid is en soms leed ontstaat, nemen we op de koop toe. Kinderen en medewerkers weten nu vaak niet wat de dag van morgen brengt. Uitgezonderd vertrekkend kinderombudsman Marc Dullaert lijken weinig mensen zich te zorgen maken over wat deze veranderingen en onzekerheid doet met kinderen die afhankelijk zijn van onze zorg. Hetzelfde geldt voor de medewerkers waarvan deze kinderen afhankelijk zijn. De nadelige gevolgen van de transities zouden wel eens jarenlang negatieve effecten kunnen hebben, en gaan de gemeenschap veel geld kosten en problemen opleveren.

‘Als kinderen van opvang naar opvang worden geschoven is dat niet ‘thuis’, ook al denken beleidsmakers anders.’

We weten dat kwetsbare kinderen een band (werkalliantie) kunnen opbouwen met hulpverleners en andere betekenisvolle personen in hun omgeving. Wanneer zo’n persoon (denk bijvoorbeeld aan een gezinsvoogd, een groepsleider of een pleegouder) wegvalt, geeft dat veel stress bij het kind. Zeker als het al andere mensen in zijn of haar leven kwijtgeraakt is.
Zorgorganisaties en gemeenten schuiven in het proces van transitie nogal eens met kinderen en medewerkers: leefgroepen worden opgeheven, scholen voor speciaal onderwijs sluiten, organisaties fuseren, voogden verdwijnen en Bureau Jeugdzorg is in veel gemeenten op de schop gegaan. Het vernieuwde bureau noemt zich vaak ‘Veilig Thuis’. De vraag is voor wie het veilig is en voor wie thuis. Wanneer kinderen veel wisselende hulpverleners krijgen is het niet veilig. Als kinderen van opvang naar opvang worden geschoven is dat niet ‘thuis’, ook al denken beleidsmakers anders. We staan er kennelijk niet bij stil welke invloed de transitie heeft op kinderen.

De praktijk
Veel problemen beginnen klein in de Jeugdzorg. Ik werd laatst geconfronteerd met een pleegkind wiens gedrag thuis en op school plotseling zonder aanwijsbare reden aanzienlijk verslechterde. De school vroeg zich hardop af of het kind nog wel te handhaven was. Psychologen en intern begeleiders gingen zich ermee bemoeien. Een overplaatsing dreigde, het stressniveau bij het kind steeg. Wat bleek er aan de hand? De gezinsvoogd zou binnenkort vertrekken in verband met een reorganisatie. Dientengevolge was Karel steeds meer aan de dood van zijn moeder gaan denken. Hij was bang geworden dat hij misschien ook uit het zijn pleeggezin weg zou moeten.

‘In ons onderzoek kwam ik een jongen tegen die in twee jaar in 42 instellingen had verbleven.’

Hoe gaat dat verder?
Uit ervaring weet ik dat dit het begin kan zijn van veel meer overplaatsingen voor het kind. Bij iedere overplaatsing geeft dat kind zichzelf weer bewust of onbewust de schuld van de mislukking. Kinderen internaliseren dat ze niet deugen en verharden daardoor. Zo komt het contact met nieuwe hulpverleners nog moeizamer of helemaal niet meer tot stand en er is in het contact met anderen steeds meer sprake van agressie en uitsluiting. Hulpverleners labellen het kind dan als antisociaal en met dat predicaat zwerven ze van instelling naar instelling. Misschien denkt u dat dit overdreven is, maar in ons onderzoek kwam ik een jongen tegen die in twee jaar in 42 instellingen had verbleven; op het laatst wilde hij alleen nog maar in de isoleer slapen.

‘Geef hulpverleners de kans om een duurzame band met kinderen op te bouwen.’

In Nederland gaat het al lang niet meer alleen om adolescenten.
Vorig jaar werd ik betrokken bij een advies over een toen zesjarig meisje dat al in tien instellingen had gezeten. Overal werd ze weggestuurd wegens extreem agressief gedrag. In het gezinshuis, waar ze in was beland stonden echter twee zeer sterke en gemotiveerde gezinshuisouders. Gezinshuismoeder en -vader waren vooral gemotiveerd om het meisje niet meer te laten gaan. En hun vasthoudendheid miste zijn uitwerking niet. Na zware maanden voor alle betrokkenen (die dagelijks met krab- en bijtwonden en bulten rondliepen), begon Lynda’s gedrag langzaam te verbeteren. Haar extreme gedrag wees op trauma’s in het verleden. In het gezinshuis leerden medewerkers haar gedrag ‘te lezen’ en er mee om te gaan. De kern van haar herstel was dat ze langzaam begreep dat niet meer weg zou worden gestuurd. Op dit moment komen er weer vriendinnetjes spelen, ze gaat stapje voor stapje weer naar school. Ze kan steeds beter met andere mensen omgaan. Gemotiveerdheid en vasthoudendheid zorgden voor een klein wondertje van herstel.

Dit positieve voorbeeld, in een tijd met veel ‘crisisproblematiek’, resulteerde in een nieuw concept: ‘Gezinshuis Plus’ een veilig thuis voor kinderen die nergens meer terecht kunnen. Kern van dit concept is: kinderen niet meer wegsturen.

De eerlijkheid gebied te zeggen dat dit concept niet nieuw is.
Een klein groepje zwaar getraumatiseerde oorlogswezen uit het Nazi-kamp Theresienstadt werd in 1946 op het landgoed Bulldogs Bank door Anna Freud (de dochter van Sigmund) en Sophie Dann opgevangen. De twee vrouwen en hun assistent John Bowlby (de grondlegger van de hechtingstheorie) zijn vast vaak gekrabd, gebeten en geslagen. Maar hun vaste overtuiging om niet op te geven heeft er uiteindelijk toe geleidt dat de kinderen langzaam weer leerden volwassenen te vertrouwen en ze uiteindelijk goed terecht kwamen.

Vertrouwen is de kern
Hoe liep het af met de jongen die in 42 verschillende instellingen verbleef? Uiteindelijk kwam ook hij terecht bij hulpverleners in Amsterdam die contact met hem kregen en hem verder konden helpen. Zijn agressieve gedrag is nu verdwenen, iets wat verder leren mogelijk maakt.

De kern van hulpverlening was, is en blijft het opbouwen van contact en vertrouwen. Vertrouwen komt echter te voet en gaat te paard. Daar houden we te weinig rekening mee in het proces van transitie van de Jeugdzorg. We schuiven te vaak met kinderen. Geef hulpverleners de kans om een duurzame band met kinderen op te bouwen.
Gemeenten die zich deze kern van hulpverlening onvoldoende realiseren zullen uiteindelijk voor veel hogere kosten, inclusief geweld en criminaliteit op straat, komen te staan. We kunnen niet voor een dubbeltje op de eerste rang zitten als het gaat om kwetsbare kinderen. Goedkoop is in de Jeugdzorg op lange termijn altijd duurkoop. Mijn proefschrift uit 2012 heb ik ‘First Do No Harm’ genoemd: ‘doe als eerste geen kwaad’. Dat motto (de belofte die beginnend artsen afleggen), zou nog steeds een belangrijk uitgangspunt voor de gemeentelijke Jeugdzorg moeten zijn.

Over de auteur: Peer van der Helm is lector bij het Expertisecentrum Jeugd aan de Hogeschool Leiden.

Deel Doe als eerste geen kwaad in de Jeugdzorg

Share on facebook
Share on linkedin
Share on email

Over KindVak nieuws

KindVak werkt met een aantal vaste redacteuren, die ons redactieteam vormen. Daarnaast zijn we altijd op zoek naar gastredacteuren.

De verantwoording voor ingebrachte teksten liggen bij de auteurs van deze teksten.

Het redactieteam van KindVak

Lees het nieuws per categorie

Beurs nieuws

Branche nieuws

Meld je aan voor de KindVak nieuwsbrief

Waar ontvang jij je updates het liefst?

Systeemwenkers vs. Systeemdenkers

Binnen het systeem werken kan door het systeem leidend te laten zijn (systeemdenkers) of de mogelijkheden van het systeem uitnutten met warmte en een

Passende zorg voor ieder kind?

Kinderen waarvoor geen passende woonplek gevonden kan worden, Anneke Vink kwam ze regelmatig tegen toen ze nog voor Bureau Jeugdzorg werkte. Is die situatie

Hoe maken kinderen met Autisme Spectrum Stoornis contact?

Contact maken, sociale omgang, spelen met andere kinderen – voor veel kinderen met Autisme Spectrum Stoornis een grotere uitdaging dan kinderen zonder ASS. Hoe