Categories
Algemeen Algemeen

Felle discussies over ventilatie schoolgebouwen

PO-Raad, VO-raad en Ruimte-OK hebben een gezamenlijke handleiding geschreven over het ventileren van schoolgebouwen in coronatijd. Nu de herfst en de winter in aantocht zijn is dit ex­tra van belang, want in de koudere jaargetijden zullen veel ramen in schoolgebouwen en kinder­dagverblijven vaker dicht zijn. Is er dan voldoende corona-vrije lucht beschikbaar in het gebouw?

De discussie over corona en voldoende venti­latie lijkt op een fikse strijd uit te lopen, waar­bij veel deskundigen tegenover elkaar staan. De discussie betreft vooral de opening van de middelbare scholen, die meestal groter zijn dan basisscholen en kinderdagverblijven. Grotere aantallen leerlingen zitten opeenge­pakt en moeten steeds massaal verkassen van het ene naar het andere lokaal, vaak zon­der mondkapjes.

In de kinderopvang en bij basisscholen speelt dit minder. Niet alleen omdat zij kleiner van omvang zijn, ook omdat kinderen onder de tien jaar minder risico lopen zelf ziek te wor­den of anderen te besmetten met Covid-19. Er zullen her en der wel uitbraakjes zijn, waar­door scholen (even) helemaal of gedeeltelijk moeten sluiten, maar een snelle reactie van het management kan de schade beperken.

Volgens onderzoek van EenVandaag is ruim 80 procent van de medewerkers op basis­scholen dan ook weer met vertrouwen naar school gegaan. Wel maken schoolleiders zich zorgen, zo blijkt uit een enquête van de Alge­mene Vereniging van Schoolleiders (AVS).

Op 15 procent van de scholen zijn er bij de schoolleiders ‘zorgen’ over ventilatie en lucht­kwaliteit en 44 procent maakt zich ‘enigszins zorgen’. Wel heeft bijna 60 procent van de scholen de ventilatie conform de regels in het Bouwbesluit op orde, 32 procent is nog bezig met een inventarisatie en 11 procent krijgt het niet op orde.

KRITIEK

Basisscholen en integrale kindcentra (ikc’s) maken ook deel uit van het onderzoek dat onderwijsminister Arie Slob heeft gelast naar de veiligheid van ventilatie in schoolgebou­wen in relatie tot de verspreiding van corona. Slob heeft op 18 augustus snel Doekle Terp­stra van Techniek Nederland tot voorzitter be­noemd van het nieuwe Landelijk Coördinatie­team Ventilatie op Scholen (LCVS).

Techniek Nederland had namelijk grote kritiek op het RIVM. Het RIVM heeft begin augustus stilzwijgend de ventilatierichtlijn voor grote gebouwen aangepast. Het advies is nu om waar mogelijk zoveel mogelijk verse lucht toe te voeren in systemen die gebruikmaken van recirculatie. Aanleiding is het onderzoek van het aantal besmettingen in een verpleeghuis in Maassluis. Techniek Nederland is verrast door het stilzwijgend wijzigen van de ventila­tierichtlijn door het RIVM en riep op tot grote­re transparantie.

‘Deskundigen vinden dat het RIVM te weinig aandacht heeft voor verspreiding van het coronavirus via aerosolen.’

Daarnaast vinden veel deskundigen dat het RIVM te weinig aandacht heeft voor versprei­ding van het coronavirus via aerosolen, klei­ne, zwevende druppels die mensen uitstoten bij spreken, zingen en niezen. Er is internati­onaal steeds meer aanleiding om ook deze aerosolen te verdenken van het overbrengen van het coronavirus.

Het LCVS vormt een tijdelijk werkverband van onder meer met daarin onder meer de VNG, PO-Raad en VO-raad en GGD-GHOR, die gezamenlijk ‘moeten zorg dragen voor veilige ventilatie op elke school’. Doel is om lokale samenwerking en oplossingen te sti­muleren en zorg te dragen voor een landelijk beeld over de voortgang. Dat beeld moet op 1 oktober beschikbaar zijn.

TWIJFELS

Echter, ook over de werking van het LCVS is discussie ontstaan. Het coördinatieteam moet alleen kijken of de ventilatie in schoolgebou­wen voldoet aan de ventilatienormen van het Bouwbesluit. Maar of dit de juiste aanpak is, daarover bestaan twijfels. Het Bouwbesluit is een verzameling normen waaraan alle gebou­wen moet voldoen. Volgens experts zijn deze maatregelen niet toegespitst op het voorko­men van verspreiding van infectieziekten.

‘Het Bouwbesluit is niet ontworpen om te beschermen tegen ziektes die zich door de lucht verspreiden.’

‘Het Bouwbesluit is niet ontworpen om te beschermen tegen ziektes die zich door de lucht verspreiden’, stelt Martijn de Riet, die organisaties advies geeft over het Bouwbe­sluit. En Philomena Bluyssen, professor bin­nenklimaat aan de TU Delft, beaamt dat. ‘De ventilatienormen voor schoollokalen zijn op­gesteld zodat kinderen niet duf worden en goed kunnen leren. Of die richtlijnen ook wer­ken om het virus uit de lucht te halen, is nog maar de vraag.’

ADVIEZEN

De ventilatiediscussie zal de komende twee maanden zeker nog fel worden gevoerd. Tot meer duidelijkheid is ontstaan, doen we het daarom met het advies dat eind augustus door Ruimte-OK, PO-Raad en VO-raad is op­gesteld:

Lucht lokalen en andere ruimtes meer­dere keren per dag door ramen en deu­ren 10-15 minuten per keer tegenover elkaar open te zetten.

Vermijd recirculatie van lucht binnen één gemeenschappelijke ruimte, waar meer­dere personen gedurende langere tijd bij elkaar zijn. Het gaat hier dan niet om recirculatie van lucht tussen verschillen­de ruimtes.

Vermijd verder het ontstaan van lucht­stromen door mobiele (zwenk)ventila­toren en airco’s in gemeenschappelijke ruimtes. Zorg dat er geen luchtstroom van persoon naar persoon gaat.

Laat indien mogelijk de ventilatie zo veel als mogelijk in de hoogste stand aanstaan. Als er sprake is van CO2-ge­stuurde ventilatie pas dan tijdelijk de in­stellingen van het systeem aan zodat in de hoogste stand geventileerd wordt.

Laat na het gebruik van het lokaal de ventilatie een tijd na draaien en in de ochtend voor gebruik eerde opstarten zodat bij aanvang van de lessen het lo­kaal goed geventileerd is.

Indien sprake is van recirculatie van ventilatielucht in dezelfde ruimte dient het gebruik van een dergelijk ventila­tiesysteem vermeden te worden zoals aangegeven in de LCI-richtlijn van het RIVM. Overleg met een expert en/of uw installateur wat eventuele ongewenste neveneffecten kunnen zijn voor het bin­nenmilieu bij het uitschakelen van venti­latie in het klaslokaal.

Voor een volledig overzicht van richtlijnen rondom ventilatie, hou de protocollen en handreikingen van RIVM, Rijksoverheid en Ruimte-OK in de gaten. De handreiking van Ruimte-OK geeft praktisch aan hoe een school in kaart kan brengen of aan de mi­nimale verplichtingen van het Bouwbesluit wordt voldaan (minimaal niveau voor veilig heropenen van de scholen) en wat aanvullend kan worden gedaan om het ventilatieniveau op het niveau van de GGD-gezondheidsricht­lijn te brengen.

Ruimte-OK fungeert verder als helpdesk bij inhoudelijke vragen over het omgaan met ventilatie-installaties. De helpdesk is bereik­baar via telefoonnummer 085-130 40 36. Of stuur een mail naar: info@ruimte-ok.nl

LINKS

www.lci.rivm.nl/ventilatie-en-covid-19

www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/corona­virus-covid-19/openbaar-en-dagelijks-le­ven/ventilatie-in-gebouwen

www.ruimte-ok.nl/nieuws/handreiking-co­ronavirus-en-het-gebruik-van-ventila­tie-verwarming-en-koeling-op-scholen

Auteur: Aart Verschuur is redacteur van KindVak Ma­gazine

Categories
Kinderopvang

Kinderopvang telt nu echt mee

Het coronavirus blijft nog rondwaren. De verwachting is dat we minstens een jaar rekening moeten houden met lokale uitbraken en ons leven dus moeten aanpassen vanwege besmettingsgevaar. Iedereen moet als het even kan voor­al blijven thuiswerken, zo heeft minister-president Rutte opgeroepen. Ook dan blijft kinderopvang van wezenlijk belang.

De wekenlange lockdown in maart en april en het gedwongen thuiswerk heeft duidelijk gemaakt dat in veel gezinnen de spanningen toenamen. Kinderopvang en scholen moch­ten alleen kinderen van ouders in essentiële beroepen opvangen, andere ouders raakten onthand en voelden aan den lijve (opnieuw) hoe belangrijk kinderopvang is.

‘Nu de waarde van kinderopvang voor iedereen duidelijk is, vraagt de politiek zich meer en meer af waar goede kinderopvang aan moet voldoen.’

Zo sprak ik een huismakelaar die noodge­dwongen haar vierjarig zoontje mee moest nemen naar huisbezichtigingen door poten­tiële kopers. Hup op de achterbank en hup, mee het huis in. Bij andere gezinnen namen de spanningen rond man/vrouw-verhoudin­gen toe. Allebei thuis werken klinkt mooi, maar hoe verdeel je onderling niet alleen de beide werktijden goed, maar ook de zorg voor de kinderen?

UITGEBREID BEDANKT

Ook de politiek is helemaal om en ziet het enorme belang van goede kinderopvang nu in, zelfs de twijfelaars. En een niet-twijfelaar als premier Mark Rutte, voor wie kinderop­vang nooit belangrijk genoeg was om te noe­men, heeft in zijn corona-persconferenties uitgebreid de kinderopvang bedankt voor de noodopvang tijdens de crisis. Hetzelfde geldt voor koning Willem-Alexander en ex-staats­secretaris voor kinderopvang Tamara van Ark.

Nu de waarde van kinderopvang voor ieder­een duidelijk is, vraagt de politiek zich meer en meer af waar goede kinderopvang aan moet voldoen. Hoe helpen we ouders en jon­ge kinderen het best?

BELASTINGAFFAIRE

Dwars door corona heen lopen twee andere zaken: allereerst de affaire rond de kinderop­vangtoeslagen. De Belastingdienst heeft ou­ders jarenlang geteisterd door ze onterecht te verdenken van fraude met kinderopvangtoe­slagen, deels trouwens op druk vanuit de po­litiek zelf, die de burger in principe wantrouwt en daarom bij de invoering heeft gehamerd op ‘fraudevrije’ toeslagen.

Het systeem van kinderopvangtoeslagen via de Belastingdienst is inmiddels vrijwel on­houdbaar geworden, nadat media (Trouw en RTL Nieuws) en Kamerleden (Omzigt en Leijten) zich als terriërs in de affaire hebben gebeten.

Wat ook speelt, zijn de problemen in het pri­mair onderwijs. Werkdruk, personeelstekor­ten en achterblijvende prestaties van zowel het onderwijs als de leerlingen. Nederland daalt al jaren op de internationale lijstjes van onderwijskwaliteit, de achterstanden van leerlingen nemen toe en de succesvolle voorschoolse educatie die de kinderopvang aanbiedt, wordt vaak weer teniet gedaan in de eerste twee jaren van de basisschool. Van ‘kansen voor iedereen’ is geen sprake.

ONTWIKKELINGSKANSEN

De huidige stand van zaken heeft geleid tot twee bijzondere rapporten en een kabinets­brief, die net voor de zomer verschenen. Al­lereerst is er een groot ambtelijk onderzoek geweest naar het toeslagenstelsel, in het IBO-rapport Deeltijdwerk. Hierin zijn een aan­tal beleidsopties rond kinderopvang opgeno­men. De belangrijkste is dat het kabinet wil onderzoeken hoe crèches en gastouders in de naaste toekomst met publiek geld betaald kunnen worden in plaats van via vergoedin­gen aan ouders.

IBO staat voor interdepartementaal beleids­onderzoek, de onderzoeken worden gebruikt bij toekomstige kabinetsformaties. Het rap­port is naar de Tweede Kamer gestuurd, begeleid door een kabinetsbrief van de mi­nisters Van Engelshoven (onderwijs) en Kool­mees (sociale zaken) en (nu ex-)kinderop­vangstaatssecretaris Van Ark (sociale zaken). In de brief nemen ze feitelijk afscheid van het toeslagenstelsel.

‘Het kabinet wil concrete scenario’s ontwikkelen voor alternatieve inrichtingen van het stelsel voor ondersteuning van gezinnen met jonge kinderen.’

Het kabinet wil concrete scenario’s ontwik­kelen voor alternatieve inrichtingen van het stelsel voor ondersteuning van gezinnen met jonge kinderen, schrijven de bewindsperso­nen. Een verbeterd stelsel stimuleert ouders om actief te blijven op de arbeidsmarkt, ont­zorgt ouders en is eenvoudiger en beter uit­voerbaar. Bovendien kan een ander stelsel mogelijk extra betekenis krijgen voor de ont­wikkeling van kinderen.

VIER SCENARIO’S

Meteen zijn ambtenaren daarop aan de slag gegaan om te onderzoeken wat de mogelijk­heden zijn voor een ander stelsel. Zij hebben de scenariostudie vormgeving kindvoorzie­ningen (SVK) gemaakt. Het is een tussen rapportage, het definitieve rapport verschijnt deze winter, die inzicht geeft over de voor- en nadelen van vier scenario’s voor toekomstige kindvoorzieningen.

De scenariostudie gaat over de voorzienin­gen voor (ouders van) kinderen van 0 tot 12 jaar en heeft betrekking op verlof, kinderop­vang én het primair onderwijs. Belangrijke uitgangspunten zijn:

• de ontwikkeling van het kind staat voorop

• voldoende keuzevrijheid

• jonge gezinnen worden zoveel mogelijk ondersteund in de combinatie arbeid en zorg

• stimulering van arbeidsparticipatie van vrouwen, minder deeltijdwerk

• eenvoudig stelsel

METEEN AFGEBLAZEN

In scenario Nul verandert er niets aan de huidige situatie. Dit wordt meteen afgebla­zen, het heet niet voor niks Nul. In scenario 1 staan alternatieven voor de huidige kinderop­vangtoeslag. Het moet allemaal eenvoudiger. Dit scenario gaat uit van financiering via een uitvoerder in plaats van de ouders, denk aan DUO. Maar met dit scenario bieden we kin­deren nog geen betere ontwikkelkansen en het levert ook geen hogere kwaliteit van het basisonderwijs op.

Interessanter zijn daarom scenario’s 2 en 3, vindt ook het kabinet. Het tweede scenario moet de toegankelijkheid van de kindvoorzie­ningen vergroten. Het beoogt de ontwikkeling van kinderen en het combineren van werken en zorgen voor alle ouders te bevorderen. Hierbij gaat het om een aantal gratis dagde­len/dagen en een betere aansluiting van kin­deropvang op het primair onderwijs.

De meest vergaande ideeën, in scenario 3, gaan richting een integrale kindvoorziening. Dan vindt er meer samenwerking tussen – of zelfs een integratie – van onderwijs en kinder­opvang plaats. Dit moet de ontwikkeling van kinderen optimaliseren, de toegankelijkheid van kinderopvang voor alle gezinnen borgen en daarmee de arbeidsparticipatie verhogen.

ALGEMEEN TOEGANGSRECHT

Scenario 3 betekent een algemeen toegangs­recht tot kinderopvang voor alle kinderen. Het richt zich op sluitende dagarrangementen voor kinderen in verschillende leeftijdsgroe­pen (0-6 jaar en 6-12 jaar). Dit scenario sluit helemaal aan op voorstellen van het platform Toekomst van Arbeid, die ook deze zomer het licht zagen. Het platform is een samenwer­king van topfiguren uit onderwijs, kinderop­vang én werkgevers. Zij willen toe naar een voorziening voor kinderen van 0-6 jaar (de speelleerschool) en een brede school voor kinderen van 6-12 jaar.

Een van de aanbevelingen is breed toegan­kelijke kinderopvang, twee dagen in de week voor alle kinderen van nul tot zes jaar. En een brede schooldag, waarin onderwijstijd en op­vangtijd flexibeler in elkaar overlopen, met 840 uur onderwijstijd en 360 uur brede talen­tontwikkeling voor kinderen tussen 6 en 12 jaar. De brede-schooldag moet ook ouders in staat te stellen werk- en zorgtaken beter te combineren. Kortom, de kinderopvang is vol­op in beweging. En niet alleen door corona.

Auteur: Aart Verschuur is redacteur van KindVak Ma­gazine

Categories
Kinderopvang

De gelukkige pm’er

Wie wil er nu niet gelukkig zijn? Pedagogisch medewerkers in de kinderopvang zijn over het al­gemeen erg gelukkig met hun werk. Vooral het contact met kinderen, geeft hen veel voldoening.

CONTACT MET KINDEREN

Als je pedagogisch medewerkers vraagt, waarom zij voor het vak gekozen hebben, dan geeft het merendeel aan, dat zij het contact met kinderen het allerleukst vinden. Sommi­gen kiezen er bewust voor om met de aller­jongsten te werken en anderen kunnen hun ei meer kwijt, op een bso met oudere kinderen.

WAARDERING VOOR HET WERK

De waardering voor het werk draagt ook bij aan het geluksgevoel. Deze waardering krij­gen pm’ers vooral indirect van de kinderen. Maar bijvoorbeeld ook door een opmerking van een beleidsmedewerker. En als ouders hun waardering laten blijken, dan voelt dit voor pm’ers goed.

BIJDRAGE AAN DE ORGANISATIE

Verder blijkt dat de leidinggevende ook een grote rol speelt in het geluksgevoel. Het mee­denken over het aanbod voor de kinderen, wordt daarnaast erg gewaardeerd. Juist om­dat de meeste medewerkers een bijdrage willen leveren aan de ontwikkeling van kinde­ren, is het belangrijk dat het aanbod aansluit bij het niveau en de interesses van de eigen groep.

FIJNE COLLEGA’S

Daarnaast moet de samenwerking met col­lega’s plezierig zijn, om je gelukkig te voelen. Als aan al deze voorwaarden voldaan wordt, dan zie je dat pm’ers vaak jarenlang bij de­zelfde organisatie werken en zich daar erg gelukkig bij voelen.

Auteur: Mireille David is werkzaam bij de CED-groep als adviseur voor de kinderopvang en het on­derwijs en auteur van het boek De gelukkige pm’er. Daarnaast is zij redacteur van KindVak Magazine.

Categories
Kinderopvang

Nieuwe tijden, nieuwe ontwikkelingen

In maart van dit jaar veranderde onze wereld compleet. Een crisistijd waarin kinderopvangcentra moesten sluiten en er veel vragen maar geen antwoorden waren. Een tijd die er ook voor zorgde dat we, ondanks de fysieke afstand, zo dicht bij elkaar stonden. Want, ondanks alle veranderingen en onzekerheid levert deze periode ook iets moois op.

 

Renate, algemeen manager kinderopvang De Kresj in Wijk bij Duurstede

‘Wat de situatie ook is, we kunnen het aan!’

‘Ondanks de opschudding van het bericht dat de kinderopvang per direct moest sluiten en de dreiging van corona, stond ons team er de volgende dag om de opvang vorm te geven. Om en om draaiden ze diensten en de rest werd vanuit huis geregeld, wat fijn was voor medewerkers met kinderen. In deze situaties moet je er voor elkaar zijn.’

‘De opvang voor schoolgaande kinderen heeft ook bij De Kresj plaatsgevonden. Zo konden we leerkrachten ontzien van deze opvang. Ook voor de kinderen was het fijn.’

 

Creativiteit in coronatijd
‘Als manager leer je creatief omgaan met nieuwe situaties. Zo ontvangen we geen ouders in ons pand. Dit was even wennen maar het werkt prettig. We zijn in overleg of we deze manier van halen en brengen moeten aanhouden of dat we versoepeling gaan aanbrengen. Zo ook kijken we opnieuw naar de grootte van de groepen. De fysieke rondleidingen zijn vervangen door een filmpje. We hebben ouders betrokken en geïnformeerd en dat heeft gezorgd voor veel begrip en ondersteuning.’

Nancy, algemeen manager kinderopvang De Harlekijn in Leersum

‘Het belang van de kinderen staat altijd voorop’

 

‘Vanaf het eerste moment was zichtbaar hoe flexibel we binnen onze kinderopvang zijn. Het belang van kinderen staat in elke situatie voorop. Op scholen zijn onze medewerkers gaan helpen op de noodopvang en organisaties als BOINK, RIVM en de GGD gaven ons duidelijke richtlijnen. Tegelijkertijd heerste er ook onrust en onzekerheid. De hele wereld had vragen en niemand had het antwoord.’

 

‘Warm’ contact
‘Het team mist het directe contact, ouders komen niet meer binnen. Juist in de kinderopvangbranche is het zo belangrijk dat er een warme overdracht is. Tijdens een rondleiding waarbij je alleen van buitenaf de groep kunt bekijken is toch anders, je mist de sfeer op onze opvang.’

‘Er is positief gereageerd op onze transparante communicatie. Zo ontvingen we van ouders een taart en verschillende lieve kaartjes. Ook onze oudercommissie speelt een grote en waardevolle rol in dit hele proces. We leren enorm veel en durven na te denken over hoe we zaken in de toekomst anders zouden kunnen regelen.’

 

Annelies Verbeek, oprichter Kinderopvang Thuis

‘Onze nanny’s staan dichtbij het gezin’

 

‘Wij bieden opvang aan huis en een groot deel van onze nanny’s heeft doorgewerkt in verband met de cruciale beroepen van de ouder(s). Anderen kwamen thuis te zitten en misten hun werk enorm. Als nanny sta je dichtbij het gezin en richt je je op de complete zorg en begeleiding van de kinderen. Daarom was het belangrijk dat er op afstand contact was, zo werd er bijvoorbeeld via videobellen voorgelezen.’

 

Zoom koffieochtend
‘Helaas kon onze koffieochtend voor nanny’s niet meer doorgaan en zijn we overgestapt op een Zoom koffieochtend. Ook dat werkt! En er werden meer kansen gezien, zoals tijd voor thuisscholing.’

‘Ik vind het interessant om met een frisse blik naar een compleet nieuwe situatie te kijken en hierover met elkaar in gesprek te gaan. We hebben veel waardering gekregen voor hoe we de informatie delen en dat is fijn, er komt veel op je af in deze periode.’

Auteur: Wendy Meerbeek, freelance communicatie adviseur in kinderopvang en onderwijs en redacteur van KindVak Magazine.

Categories
Primair onderwijs

Wat doen we nu eigenlijk? PR en Marketing op school is onmisbaar

Kritische ouders en bevolkingskrimp zorgen ervoor dat het basisonderwijs competitiever wordt. Een zakelijke blik op imago, communicatie en marketing kan een verschil maken in het voortbestaan of verdwijnen van een school, vinden marketingdeskundigen gespecialiseerd in het basisonderwijs. ‘Goed onderwijs verkoopt zichzelf niet meer.’

Als onderzoeker en adviseur Ronald Dulmers in de jaren ‘80 begint met zijn marketing- en communicatiebureau voor basisscholen, is hij zo’n beetje de eerste die zich hieraan waagt. Een schoolkeuze maken is voor de meeste ouders in die tijd helder, want gebaseerd op geloofsovertuiging of simpelweg op dat een school dicht bij huis is. Scholen stellen zich productgericht op, ziet Dulmers: de school bepaalt wat goed is, met de verwachting dat de rest vanzelf volgt. Maar ouders worden mondiger en mobieler, kritischer. Als de keuze in de loop der jaren vrijer wordt, krijgen scholen steeds meer te maken met marketingproblematiek. ‘Goed onderwijs verkoopt zichzelf niet meer. Onderwijsconsumenten vragen zich af “waar wil ik bij horen?”’, zegt Dulmers. ‘Als reactie hierop zie je dat scholen in eerste instantie van productgericht naar verkoopgericht gaan om zich te profileren: ze maken meer reclame. Puur zenden, dus, zonder rekening te houden met de wensen van de markt.’ Hier mist een belangrijke vraag, die zelfs anno 2016 nog onvoldoende gesteld wordt, meent de onderzoeker: ‘wat doen we nou eigenlijk?’.

‘Een slecht imago is zonde, want lang niet altijd terecht.’

Een marktgerichte school
Uit cijfers van het CBS blijkt dat in 2015 in één op de vier plaatsen in Nederland geen school is en dat tot 2022 het aantal basisschoolleerlingen zal afnemen. De PO-Raad meldt dat vorig jaar meer dan honderd scholen de deuren hebben moeten sluiten, in navolging van 2014. ‘Krimp maakt leuk en goed onderwijs geven lastig en stimuleert daarmee het zakelijk denken jegens marketing’, vindt Dulmers. Hij pleit voor een marktgerichte aanpak op scholen, die hij overigens steeds vaker ziet. ‘Schooldirecties vragen zich af hoe zij zich zo sterk mogelijk kunnen profileren in een onstabiele markt. Integrale Kindcentra zijn bijvoorbeeld ook een vorm van marketing’. Basisscholen hebben hier 3- en 4-jarigen al in huis en door goede samenwerking en communicatie, wordt de kans klein dat ze een andere schoolkeuze maken, aldus Dulmers. ‘Maar niet iedereen kent alle klappen van de marketingzweep al. Er heerst soms nog steeds het idee dat een opgepoetste folder problemen kan oplossen.’ Het verschil tussen een product- en verkoopgerichte school en een marktgerichte school zit hem volgens Dulmers in het begrijpen van de onderwijsmarkt en de consument. ‘Verdiep je in hoe de markt zich ontwikkelt door een concurrentieanalyse, tevredenheidsonderzoek en schoolkeuzemotieven.’ Het belangrijkste hierbij is dat je je eigen identiteit helder voor ogen hebt. ‘Om je ware gezicht te kunnen tonen, moet je dit eerst benoemen met elkaar. Wat maakt ons sterk? Wat is onze eigen aanpak om iets te bereiken met deze leerlingen? Hoe maken we dit zichtbaar? Dan pas kun je succesvol van binnen naar buiten treden.’

‘Help ouders in het vertellen van hun positieve verhaal.’

Kracht van binnen en buiten
Hoe belangrijk het is dat je als school je identiteit bepaalt en deze op een goede manier uitdraagt, ondervindt onderwijsdeskundige Sandra van der Bolt, medeauteur van het boek Krachtig van binnen, sterk naar buiten! In vier stappen naar een aantrekkelijke school met een sterk imago (2015). Ook zij ziet dat ouders meer consumentengedrag zijn gaan vertonen en dat zij kritischer keuzes maken. ‘Ouders willen een goed gevoel hebben bij de school, afhankelijk van wat andere ouders vinden’, zegt Van der Bolt. Een slechte reputatie hebben is volgens haar doodzonde, omdat deze zeker niet altijd terecht is. Als voorbeeld noemt zij een Montessorischool in Brabant die kampte met het vooroordeel van een hoog aantal zorgleerlingen. Leerlingaantallen liepen terug, maar zijn recentelijk ook weer gestegen door aandacht voor pr. ‘Vaak als scholen aan pr denken, dan denken ze aan hun website en flyers. Dat is niet zo, pr draait om de vraag wat je te bieden hebt en het zorgen dat dit zichtbaar is. Het is mensenwerk. Als directie en personeel de eigen identiteit goed weten uit te dragen naar ouders en kinderen, dan kan het tij gewoon keren. Op iedere school zou daarom het punt pr in de draaiboeken moeten staan.’

Trots en tamtam
Onlosmakelijk verbonden met goede pr is gastvrijheid en klantgerichtheid, vindt Van der Bolt. Uit haar eigen onderwijservaring weet ze dat dat er soms bij inschiet op school. ‘Leerkrachten zijn heel plichtsgetrouw, ze houden erg vast aan hun taken. Kopiëren gaat soms vóór een spontaan gesprek met een ouder’, zegt Van der Bolt. ‘Juist ambassadeurs, tevreden ouders en leerlingen, zijn de kritische succesfactor voor een goed imago.’ Ronald Dulmers is het hiermee eens. ‘Het belangrijkste in het basisonderwijs is recommandatie. Als je ouders niet helpt in hun positieve verhaal, dan gaat iedereen zijn eigen verhaal vertellen’, zegt hij. ‘Je onderwijskundige zaken op orde hebben is hierbij niet voldoende. Zorg dat je successen viert, je laat zien waar je goed in bent, je aandacht besteed aan bijzondere activiteiten met foto’s, noem maar op. Als eigen ouders tevreden en trots zijn, dan volgt de tam tam vanzelf.’

Auteur: Emma Verweij

Categories
Primair onderwijs

In gesprek met Job van Velsen over integrale samenwerking

Job van Velsen is voormalig basisschooldirecteur, voormalig directeur van een Brede School en sinds haar oprichting werkzaam als projectleider bij het Landelijk Steunpunt Brede Scholen. Daarnaast is hij directeur van Etuconsult, een adviesbureau op het gebied van vernieuwende onderwijsconcepten, Brede Scholen en Integrale Kindcentra (IKC’s). KindVak sprak met hem over de uitgangspunten die nodig zijn om tot een daadwerkelijk integraal kindstelsel te komen.

Waarom is het van belang dat kinddiensten samenwerken?
Het credo dat in het kantoor van Etuconsult op de muur geschreven staat is volgens mij het uitgangspunt voor iedere professional rondom kinderen: “de wereld van de toekomst is wat kinderen er van maken.”

‘De wereld van de toekomst is wat kinderen er van maken.’

Dat vraagt meer samenwerking tussen instellingen en organisaties die met kinderen werken; kinderopvang, welzijn en (jeugd)zorg. De school fungeert in die samenwerking als middelpunt, die naar de oorspronkelijke betekenis van het woord scholè wordt ingevuld. It takes a village to raise a child en samen kom je verder. Het is in deze tijd toch niet meer dan logisch dat professionals op scholen, kinderopvang, peuterspeelzaalwerk en andere instellingen samen gaan werken? Hierdoor wordt kennis op een goede manier overgedragen en gedeeld, weten professionals van elkaar wie op welk moment wat met een kind doet en kent men elkaars verantwoordelijkheden. Daar hebben ouders, professionals maar vooral de kinderen profijt van!

‘Samenwerking is niet afhankelijk van financiële middelen.’

Wat zijn de uitgangspunten voor samenwerking tussen kinddiensten?
Ieder kind ontwikkelt zich op een andere manier. Kinderen zouden in hun jeugd in ieder geval moeten leren zelfstandig te werken, liefde te hebben voor de maatschappij, kennis op te doen en leren verantwoordelijk te zijn voor henzelf en anderen. Ervaring moet, afhankelijk van de omgeving en het individuele kind, uitwijzen welke aanpak het beste werkt. Het uitgangspunt van een integrale samenwerking binnen kinddiensten zou moeten zijn dat er gekeken wordt naar wat een kind zelf nodig heeft. De ‘waarom’-vraag bij een IKC, de reden waarom de ontwikkeling van een kind centraal moet staan binnen onderwijs, zorg en opvang, wordt vaak overgeslagen. Dit leidt er toe dat er bijvoorbeeld tot wel 10 verschillende organisaties om één zorgbehoevend kind heen staan, die allen op een bepaalde manier hun invloed uitoefenen. Gebrekkige samenwerking binnen de kinddiensten is vaak funest voor een efficiënte aanpak en dus voor kinderen.

‘Alleen loop je harder, samen kom je verder. Dat vraagt geven en nemen, van onderwijs, opvang en alle eventuele andere partners.’

Het is niet zo dat iedere plek (wijk, buurt, stad, dorp) gelijke behoeften heeft. In een wijk waar bijvoorbeeld veel allochtone kinderen wonen is een andere aanpak gewenst dan in een wijk waar vooral hoogopgeleide tweeverdieners wonen. Per IKC-locatie zou het aanbod dan ook kunnen verschillen, maar altijd afgestemd moeten worden op de vragen en behoeftes van de kinderen en de ouders. Bijvoorbeeld: op de ene plek zouden bijvoorbeeld meer zorgprofessionals betrokken moeten worden, ergens anders zijn wellicht docenten Kunst en Cultuur gewenst.

Vervolgens moet er gekeken worden welke partners daarbij het beste een bijdrage kunnen leveren, en daarna naar een afstemming tussen deze partners en naar de kansen die de wijk, omgeving of stad verder te bieden heeft om het aanbod beter te maken of te verrijken.
Gelijkwaardigheid en respect zijn kernwaarden binnen de kinddiensten. Iedereen, van onderwijzer tot arts tot pedagogisch medewerker, werkt met dezelfde kinderen. Hiërarchische structuren binnen een Brede School zijn daarom niet direct gewenst: iedere betrokkene zou dezelfde ‘mindset’ moeten hebben, met het kind als bindende factor. Scholen blijven echter wel vaak de grootste partij, in ieder geval de belangrijkste vindplaats van kinderen in de leeftijd van ongeveer 3 tot ongeveer 12 jaar, of als dat relevant is, van 0-12 jaar. Hierdoor zou de school haast ‘van nature’ de rol op zich moeten pakken de samenwerking initiëren, borgen en ervoor moeten zorgen dat de gekozen aanpak niet afhankelijk is van specifieke personen binnen een Brede School of IKC. Het onderwijs blijkt vaak de spin in het web van de kinddiensten, versterkt en verrijkt door relevante partners van waaruit alle andere factoren met elkaar in verbinding staan. Alleen loop je harder, samen kom je verder. Dat vraagt geven en nemen, van onderwijs, opvang en alle eventuele andere partners.

Is er voor wat u hier zegt niet een wijziging van het huidige stelsel nodig?
Om deze integrale samenwerking te bereiken is een stelselwijziging niet direct noodzakelijk. Binnen het huidige kindstelsel en middels de huidige wetgeving is er veel mogelijk om tot de gewenste uitkomsten te komen. Het kan allemaal wel wat makkelijker, en dan zou een stelselwijziging helpen. Maar dat is echt een kwestie van lange adem en de krachten bundelen. Ondertussen kan je in de praktijk heel veel realiseren op het gebied van IKC’s. Samenwerking is niet afhankelijk van financiële middelen. Een integrale samenwerking met de huidige financiële middelen mogelijk, mits verschillende partijen met elkaar naar slimme, en soms ook andere oplossingen zoeken. Het huidige versnipperde financieringsstelsel en wisselende visie vanuit de overheid, of het ontbreken ervan, levert soms wel hindernissen op. Gelukkig is de Nederlandse overheid betrokken bij het kijken naar waar de knelpunten voor Brede Scholen en IKC’s liggen en hoe die opgelost kunnen worden. Goed om zowel op politiek, bestuurlijk als operationeel niveau de handen ineen te slaan. Overigens zijn scholen vaak nog erg naar binnen gericht. Ze geven op een eenzijdige manier invulling aan het begrip school. En dat terwijl ‘school’ juist zo’n rijk woord is! In het Grieks betekent het woord scholè ‘studie’, ‘liefhebberij’ en ‘vrije tijd’. Het is dus de invulling die een maatschappij aan een begrip geeft die bepaalt wat voor invulling eraan wordt gegeven. Het komen tot een IKC begint bij inspiratie, visie, ambitie en kennis. Uiteindelijk zijn mensen zelf verantwoordelijk voor het al dan niet slagen van een project of een visie. Kennis en ervaring op onderwijsgebied zijn wijdverbreid en overal beschikbaar. Het vergt dus allereerst een persoonlijke overtuiging om tot een integraal kindcentrum te komen.

Auteurs: Jon en Thom Roozenbeek

Categories
Primair onderwijs

De combinatiefunctionaris

Roy Frederiks is combinatiefunctionaris Sport voor de Brede School in de gemeente Veldhoven, Noord-Brabant. Hij vertelt over zijn werk en hoe de gemeente Veldhoven werkt aan het verbinden van het primair onderwijs en verschillende diensten in de regio. Ook vertelt hij hoe het project Schooljudo op meerdere vlakken bijzonder effectief en nuttig is geweest.

Veldhoven is een welvarend dorp van zo’n 45.000 inwoners met een rijk verenigingsleven. Ruim 10 jaar geleden is er hier een start gemaakt met de verbreding van het onderwijs volgens het concept van de Brede School, waarbij het primair onderwijs wordt verbonden met diverse diensten en activiteiten om samen één concept te vormen. Alle ingrediënten grijpen in elkaar, versterken elkaar en worden aangeboden in dagarrangementen.

Frederik is als combinatiefunctionaris verantwoordelijk voor het initiëren van diverse sportprojecten op en rond basisscholen.

“De verbredingsaanpak in Veldhoven heeft veel opgeleverd, waaronder drie multifunctionele accommodaties waarin de basisschool samen met een grote hoeveelheid partners onder één dak is ondergebracht. Van kinderopvang tot GGD, en van welzijnswerk tot sport. Doordat alles bij elkaar zit, is onderlinge samenwerking logisch en nodig. Deze samenwerking maakt het mogelijk om leerlingen een doorlopende leerlijn aan te bieden van 07.00-19.00 uur waarbij activiteiten voor leerlingen worden georganiseerd binnen én buiten schooltijd. Dit zijn activiteiten die voor iedereen toegankelijk zijn en waarbij we actief de koppeling maken met sportverenigingen.”

Sportprojecten
Frederiks is als combinatiefunctionaris verantwoordelijk voor het initiëren van diverse sportprojecten op en rond basisscholen, en het zoeken naar sportverenigingen uit de gemeente die de lessen kunnen verzorgen. “De uitvoering van sportlessen wordt door de sportverenigingen zelf gedaan. Ik werk samen met mijn collega’s als combinatiefunctionaris echt aan de organisatorische kant en leg de verbindingen,” legt Roy uit. “We proberen altijd de activiteiten te organiseren op of nabij de school, ook het naschoolse aanbod. De lokale verenigingen die we bij ons programma betrekken komen dan ook naar de school toe. Pas in een laatste fase gaan de kinderen naar de vereniging toe voor de lessen om zo de doorstroom te bevorderen.”

Bij het zoeken en vinden van de juiste activiteiten wordt altijd uitgegaan van de specifieke vraag en de behoefte vanuit de school. “Wij leggen geen projecten bij de school neer, maar gaan altijd met de scholen in gesprek. We stellen hen vragen, zoals “wat wil je?”, “wat heb je nodig?” en “waarbij kunnen we jullie ondersteunen om het gymniveau naar een hoger level te krijgen?”, aldus Roy. “Vaak kom je bij de verschillende scholen wel op vergelijkbare doelen uit, zoals gezondheid, motoriektraining of het verbeteren van omgangsvormen. Als we die doelen in kaart hebben, kijken wij welke projecten er bij passen. Ieder kwartaal gaan we met de schooldirecties om tafel om te kijken wat er past er binnen het curriculum.”

Judo op school
Voor nieuwe activiteiten en initiatieven wordt altijd eerst lokaal gekeken welke verenigingen en organisaties daarin kunnen voorzien. “Komen we daar niet uit, dan zoeken we naar een andere partij om ons met een interventie te ondersteunen,” vertelt Roy. “Zo kregen we vanuit verschillende scholen de vraag om actuele thema’s zoals pesten en groepsdruk aan te pakken. Schooljudo bleek een heel geschikte optie. In samenwerking met schooljudo.nl hebben we vervolgens een judoprogramma voor schookinderen opgezet. Een vereniging uit de buurt biedt judolessen aan voor basisschoolleerlingen van 4 tot en met 12 jaar. De lessen vinden plaats op school, tijdens de reguliere gymlessen van de groepsdocent. Deelnemende kinderen krijgen gedurende 6 weken les op een echte judomat in een echt judopak. In de lessen wordt hard gewerkt aan verschillende waarden, zoals samenwerken, discipline, respect, weerbaarheid, vertrouwen, beheersing, samenwerken, en vooral ook plezier maken. Daarnaast leren de kinderen veilig vallen. Zo draagt het programma bij aan zowel de sociaal/mentale als de fysieke ontwikkeling van een kind. Als afsluiting van de lessenreeks en als zetje naar de naschoolse lessen vindt er een afsluitende clinic plaats van een topjudoka. Een sport die prima past bij de jongere kinderen uit groep 3 en 4 en waarbij deze sociale thema’s erg goed terugkomen.”

Bij het inzetten van een dergelijke interventie wordt nog wel eens gedacht dat de interventie-eigenaar de organisatie van de activiteiten geheel overneemt. Roy ziet dat absoluut niet zo: “Mijn ervaring is dat het gewoon een win-win situatie is als je vanuit je lokale positie zélf de contacten legt met de scholen en de verenigingen. Dat je daar zelf als een spin in het web tussen zit. De contacten zijn kort en je krijgt veel sneller iets geregeld dan iemand van buitenaf die iets komt wegzetten. Dus gebruik de interventie en de organisatie die erachter zit, maar de onderdelen die je zelf kunt doen, moet je ook vooral zelf doen! Dan heeft het ook de langste levensduur. Als we alles lokaal altijd alleen maar los inkopen, dan is dat misschien wel makkelijk, maar als het geld op is, is het klaar.”

Resultaten
Uit evaluaties van het programma blijkt dat zowel kinderen als leerkrachten de judo-lessen als zeer waardevol ervaren. Het biedt leerkrachten de kans hun groep op een andere manier bezig te zien. Doordat het judo-aanbod aansluit bij thema’s als groepsvorming, groepsdruk en omgangsvormen, maakt het op veel scholen deel uit van een groter project rondom deze onderwerpen. Voor de kinderen is het heel verfrissend om tijdens de gymles met een andere sport bezig te zijn. Judo leent zich prima om aandacht te besteden aan regels en respect. Maar ook de motorische vaardigheden, zoals vallen en rollen worden volop geoefend. En uiteindelijk is het ook gewoon leuk om te mogen stoeien.

Auteurs: Jon en Thom Roozenbeek

Categories
Jeugdzorg

Ben jij al waar je doelgroep is?

Uit onderzoek van Newcom in 2015 blijkt dat 98% van de Nederlandse jongeren actief is op social media. Terwijl zij voortdurend delen waar ze mee bezig zijn en contact hebben met bekenden en onbekenden over de hele wereld, maken wij ons als professionals in de jeugdzorg en het onderwijs vooral druk om de negatieve kanten van social media. Cyberpesten, grooming en misbruik maken van Snapchat zijn helaas zaken waar we allemaal wel eens van gehoord hebben.

Met name docenten zien in de klas vaak de gevolgen van cyberpesten, en in de jeugdzorg treffen professionals regelmatig meiden (èn jongens!) die slachtoffer zijn geworden van digitale kinderlokkers. En dat maakt onze weerstand tegen het gebruik van social media door ‘onze’ kinderen en jongeren vaak alleen maar groter. Maar is dat wel reëel? Kunnen we deze gevaren voorkomen? Pesten en kinderlokken is echter iets van alle tijden – helaas – en het is aan ons als opvoeders om kinderen en jongeren hier zoveel mogelijk tegen te beschermen door hen voor te lichten. Maar voorlichten kan alleen als je kennis hebt over het onderwerp, en daar lijkt het juist aan te ontbreken als het gaat over social media.

“Nee joh, social media gebruik je alleen privé.”

Toen ik net werkzaam was als jeugdreclasseerder merkte ik dat ik door mijn eigen gebrek aan kennis over social media, al snel met het waarschuwend vingertje ging wijzen op het moment dat ik met een jongere in gesprek was over dit onderwerp. En dat, terwijl ik zelf een ware social-media-addict bleek, met profielen op Hyves en Facebook. Studenten van sociale studies gebruiken zelf massaal social media, maar als ik hen vraag of ze er ook iets mee doen richting cliënten, dan is het antwoord vaak: “nee joh, social media gebruik je alleen privé”.

Cyberpesten, grooming en misbruik maken van Snapchat zijn helaas zaken waar we allemaal wel eens van gehoord hebben.

Na me jaren verdiept te hebben in het onderwerp en erover gesproken te hebben met vele jongeren, kan ik maar tot één conclusie komen: pas als we weten wat onze doelgroep bezig houdt, kunnen we beter begrijpen wat er gebeurt en daar op aansluiten. Daarmee wil ik niet zeggen dat iedere professional in de jeugdzorg of het onderwijs nu direct op allerlei social media actief moet gaan worden, maar naar mijn mening is het wel van belang voor professionals om te weten dat social media een groot deel van het leven van onze kinderen en jongeren uitmaakt en dat zij er over kunnen en zelfs moeten praten met hun doelgroep. Wees nieuwsgierig en leergierig, en laat het kind of de jongere jouw docent zijn op dit gebied. En besef dat kinderen en jongeren niet zullen stoppen met het gebruik van social media. Immers: ‘iedereen’ is er te vinden en het maakt communicatie zoveel makkelijker, ook al gebeuren er soms niet zo’n leuke dingen.

Een stapje verder is het middel zèlf gebruiken in het contact met kinderen en jongeren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een zakelijk account op Facebook, waar je algemene informatie deelt die voor je cliënten interessant is en waarnaar je hen kunt verwijzen. Dit account kun je ook gebruiken om contact te hebben met kinderen en jongeren (en hun ouders, die ook steeds meer gebruik maken van social media). Hierbij gelden wel een aantal spelregels om de privacy van hen en die van jou te bewaken. Zo mag je bijvoorbeeld geen contact hebben over casuïstiekgerichte informatie via de social media kanalen, omdat deze informatie gebruikt kan worden door derden (en dat is in overtreding met de Nederlandse wetgeving, geldt ook voor Whatsapp!). Echter, iemand herinneren aan een afspraak of een telefoontje aankondigen zonder de ins en outs te noemen kan wel. Een andere belangrijke spelregel is dat je van tevoren met je cliënt hebt afgestemd voor welk doeleinde social media gebruikt wordt. Wees transparant in wat je als professional doet op social media (kijk je wel eens op het profiel van je cliënt?) en wees duidelijk in wat de cliënt van jou kan verwachten (ben je nu ineens wel 24 uur per dag beschikbaar?). We moeten niet vergeten dat social media slechts een middel is, een techniek, waarmee we kunnen communiceren. De regels omtrent wanneer we het gebruiken en waarvoor, bepalen we echter nog steeds zelf, in overeenstemming met onze cliënten.

Over de auteur: Kelly de Vries Social media en online hulpverlening in de (jeugd)zorg | workshops, trainingen, projecten | zzp’er | jeugdreclassering

Categories
Primair onderwijs

Filosoferen in het onderwijs

Geïnspireerd door filosoof Kristof van Rossem ben ik gestart met filosoferen met kinderen. ‘Filosoferen is een ambacht’, riep Kristof, en ‘het is geen vak’. Je kan het niet leren door er over te lezen, je leert het door te doen. Ik wilde dit ambacht ook gaan toepassen in mijn lesprogramma.

Één keer in de zes weken filosofeer ik met de kinderen uit mijn groep. Het filosoferen gebeurt gestructureerd en is vergelijkbaar met een reguliere les. Ik ben van mening dat er in het dagelijks onderwijs onbewust veel wordt gefilosofeerd door kinderen en leerkrachten. In een klas en tijdens lessen ontstaan er veel vragen. Het grote verschil tussen onbewust en bewust filosoferen zit in de aanbieding. Voor bewust filosoferen wordt tijd vrijgemaakt. Onbewust filosoferen is kinderen proberen regelmatig te laten nadenken over de vragen die ze hebben. Bijvoorbeeld de vraag: Waarom mogen de kinderen uit groep 2 langer buitenspelen dan wij? Zo’n soort vraag koppel ik regelmatig terug door hen zelf de vraag te stellen: waarom denk jij dat de kinderen uit groep 2 langer mogen buitenspelen? Ze moeten nadenken over een antwoord op hun eigen vraag. In mijn ogen is dat ook filosofie. Filosoferen hoeft namelijk niet altijd een goed antwoord op te leveren. Nadenken over een vraag kan kinderen namelijk ook inzicht opleveren, waardoor ze dit soort verschillen misschien beter gaan begrijpen.

‘Ze moeten nadenken over een antwoord op hun eigen vraag.’

Tijdens de filosofieles gaan we met zijn allen in de kring zitten. Ik herhaal voor elk gesprek de belangrijkste regel uit: alles wat je zegt is goed. In het midden van de kring zet ik een kaars neer. Wanneer ik de kaars aansteek begint het filosoferen en leg ik kinderen een vraag voor. Bijvoorbeeld: kan er een wereld bestaan zonder oorlog? De kinderen gaan het gesprek met elkaar aan met mij als gespreksleider. Ik wijs aan welke kinderen de beurt krijgen, vraag door op antwoorden en vat kort samen wat er gezegd wordt. Een kind mag mij corrigeren als mijn samenvatting niet klopt. Ook zorg ik ervoor als gespreksleider dat de leerlingen niet te veel afdwalen van de vraag. Een gesprek duurt hoogstens 20 minuten. Wanneer ik de kaars uitblaas stopt het filosoferen. Een gesprek heeft altijd een open einde, want tijdens de les gaan we niet op zoek naar absolute antwoorden: we gaan op zoek naar wat wij denken.

‘Ik filosofeer graag met kinderen, omdat we in een gesprek verwonderd raken.’

Ik filosofeer graag met kinderen, omdat we in een gesprek verwonderd raken. Verwonderd over hoe de wereld in elkaar zit. Grote levensvragen worden beantwoord door kinderlogica. Wij volwassenen kunnen van deze logica nog veel leren. Maar niet alleen ik leer van de gesprekken. Mijn leerlingen leren beter naar elkaar te luisteren en ontwikkelen een nieuwsgierige en onderzoekende houding. Ze leren dat een vraag niet is beantwoord met één antwoord, maar dat je kunt en mag doorvragen naar meer.

Over de auteur: Tjeerd Hilhorst (24 jaar) is leerkracht in groep 6, 7 en 8 van de Montessorischool in Wassenaar.

Categories
Jeugdzorg

Jongerenwerk in Midden-Drenthe

Het jongerenwerk heeft mij altijd al aangetrokken. Als puber en jong volwassene ben ik jaren betrokken geweest bij het plaatselijke jeugdwerk. Tijdens mijn opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH) ben ik mij verder gaan richten op de doelgroep jeugd. Mijn afstudeerproject bestond uit een preventiekoffer om jongeren op het voortgezet onderwijs te informeren over seksualiteit, grenzen, gezondheid en loverboys. Deze preventiekoffer is vervolgens ingezet op 21 scholen.

Als jongerenwerker bij Welzijnswerk leg ik contacten met jongeren in hun vrije tijd en probeer ik een vertrouwensrelatie met ze op te bouwen. Deze jongeren ontmoet ik op diverse plaatsen in de dorpen. Samen met hen kijk ik naar wat ze nodig hebben. Dit kan bijvoorbeeld een plek zijn waar ze elkaar als groep kunnen ontmoeten. Ook kunnen ze individueel bij mij terecht als ze vragen hebben over school of als ze in een lastige situatie terecht zijn gekomen. Ik leg verbanden tussen de leefwerelden van het gezin/thuis, de school, en de omgeving/buurt.

‘Eén gezin, één plan, één regisseur. Dat is het uitgangspunt en meteen ook de kracht van het Jeugdteam.’

Jeugdteam Smildes
Vanuit Welzijnswerk Midden-Drenthe neem ik ook deel aan het Jeugdteam Smildes. Dit Jeugdteam is in 2013 gestart als pilot, in voorbereiding op de transities in het sociaal domein. In het Jeugdteam Smildes zijn alle kernpartners van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) vertegenwoordigd. Het gaat hier om Maatschappelijk Werk Noordermaat, GGD Drenthe, de Toegang Bureau Jeugdzorg en Welzijnswerk Midden-Drenthe. Het Jeugdteam is een plek waar professionals, organisaties en verenigingen hun vragen neer kunnen leggen voor wat betreft opvoeden en opgroeien van kinderen/jongeren (0-23 jaar). Inwoners kunnen ook rechtstreeks naar ons toekomen met alle vragen die ze hierover hebben. Dit kan zowel om ‘lichtere’ als ‘zwaardere’ vragen gaan. Maar we wachten als Jeugdteam niet alleen tot er vragen binnen komen, we gaan daarnaast ook preventief aan de slag.

Eén gezin, één plan, één regisseur
Eén gezin, één plan, één regisseur. Dat is het uitgangspunt en meteen ook de kracht van het Jeugdteam. Wanneer er een vraag bij het Jeugdteam binnen komt, via welke weg dan ook, bespreken we de vraag in het team en wordt er één aanspreekpunt voor het gezin aangewezen. Ik merk dat we dankzij het werken in Jeugdteams een gezin vroegtijdiger ondersteuning kunnen bieden, zodat ze zelfstandig verder kunnen en/of we de juiste hulpverlening direct in het gezin kunt betrekken.

Een mooi voorbeeld voor mij was in een gezin waarbij ouders moeite hadden met het gedrag hun dochter van 10 jaar. Al vrij snel werd duidelijk dat ouders moeite hadden om hun regels te blijven hanteren en ook grenzen aan te geven. Door gesprekken en oefeningen staan deze ouders nu ‘steviger’ in deze vaardigheden.

Toekomst
Na het succes van Jeugdteam Smildes zijn er eind 2014 ook Jeugdteams gestart in Beilen en in Westerbork. Zelf werk ik nu anderhalf jaar binnen het Jeugdteam en ik merk dat mensen met lichte opvoedingsvragen ons ook beter weten te vinden. Mensen trekken eerder aan de bel. We kunnen zo gezinnen vroegtijdig handvatten bieden, zodat ze zelfstandig verder kunnen. In de toekomst wil ik graag de samenwerking met de diverse verenigingen, organisaties en inwoners verder verstevigen. Zodat iedereen een handje kan helpen en we nog eerder zaken kunnen signaleren.

Over de auteur: Natascha Maris werkt sinds 2009 is als jongerenwerker van Welzijnswerk Midden-Drenthe. Daarnaast is ze contactpersoon Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en maakt zij deel uit van het Jeugdteam Smildes. De website van Welzijnswerk Midden-Drenthe is www.welzijnswerkmd.nl.