Categories
Jeugdzorg

Ben jij al waar je doelgroep is?

Uit onderzoek van Newcom in 2015 blijkt dat 98% van de Nederlandse jongeren actief is op social media. Terwijl zij voortdurend delen waar ze mee bezig zijn en contact hebben met bekenden en onbekenden over de hele wereld, maken wij ons als professionals in de jeugdzorg en het onderwijs vooral druk om de negatieve kanten van social media. Cyberpesten, grooming en misbruik maken van Snapchat zijn helaas zaken waar we allemaal wel eens van gehoord hebben.

Met name docenten zien in de klas vaak de gevolgen van cyberpesten, en in de jeugdzorg treffen professionals regelmatig meiden (èn jongens!) die slachtoffer zijn geworden van digitale kinderlokkers. En dat maakt onze weerstand tegen het gebruik van social media door ‘onze’ kinderen en jongeren vaak alleen maar groter. Maar is dat wel reëel? Kunnen we deze gevaren voorkomen? Pesten en kinderlokken is echter iets van alle tijden – helaas – en het is aan ons als opvoeders om kinderen en jongeren hier zoveel mogelijk tegen te beschermen door hen voor te lichten. Maar voorlichten kan alleen als je kennis hebt over het onderwerp, en daar lijkt het juist aan te ontbreken als het gaat over social media.

“Nee joh, social media gebruik je alleen privé.”

Toen ik net werkzaam was als jeugdreclasseerder merkte ik dat ik door mijn eigen gebrek aan kennis over social media, al snel met het waarschuwend vingertje ging wijzen op het moment dat ik met een jongere in gesprek was over dit onderwerp. En dat, terwijl ik zelf een ware social-media-addict bleek, met profielen op Hyves en Facebook. Studenten van sociale studies gebruiken zelf massaal social media, maar als ik hen vraag of ze er ook iets mee doen richting cliënten, dan is het antwoord vaak: “nee joh, social media gebruik je alleen privé”.

Cyberpesten, grooming en misbruik maken van Snapchat zijn helaas zaken waar we allemaal wel eens van gehoord hebben.

Na me jaren verdiept te hebben in het onderwerp en erover gesproken te hebben met vele jongeren, kan ik maar tot één conclusie komen: pas als we weten wat onze doelgroep bezig houdt, kunnen we beter begrijpen wat er gebeurt en daar op aansluiten. Daarmee wil ik niet zeggen dat iedere professional in de jeugdzorg of het onderwijs nu direct op allerlei social media actief moet gaan worden, maar naar mijn mening is het wel van belang voor professionals om te weten dat social media een groot deel van het leven van onze kinderen en jongeren uitmaakt en dat zij er over kunnen en zelfs moeten praten met hun doelgroep. Wees nieuwsgierig en leergierig, en laat het kind of de jongere jouw docent zijn op dit gebied. En besef dat kinderen en jongeren niet zullen stoppen met het gebruik van social media. Immers: ‘iedereen’ is er te vinden en het maakt communicatie zoveel makkelijker, ook al gebeuren er soms niet zo’n leuke dingen.

Een stapje verder is het middel zèlf gebruiken in het contact met kinderen en jongeren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een zakelijk account op Facebook, waar je algemene informatie deelt die voor je cliënten interessant is en waarnaar je hen kunt verwijzen. Dit account kun je ook gebruiken om contact te hebben met kinderen en jongeren (en hun ouders, die ook steeds meer gebruik maken van social media). Hierbij gelden wel een aantal spelregels om de privacy van hen en die van jou te bewaken. Zo mag je bijvoorbeeld geen contact hebben over casuïstiekgerichte informatie via de social media kanalen, omdat deze informatie gebruikt kan worden door derden (en dat is in overtreding met de Nederlandse wetgeving, geldt ook voor Whatsapp!). Echter, iemand herinneren aan een afspraak of een telefoontje aankondigen zonder de ins en outs te noemen kan wel. Een andere belangrijke spelregel is dat je van tevoren met je cliënt hebt afgestemd voor welk doeleinde social media gebruikt wordt. Wees transparant in wat je als professional doet op social media (kijk je wel eens op het profiel van je cliënt?) en wees duidelijk in wat de cliënt van jou kan verwachten (ben je nu ineens wel 24 uur per dag beschikbaar?). We moeten niet vergeten dat social media slechts een middel is, een techniek, waarmee we kunnen communiceren. De regels omtrent wanneer we het gebruiken en waarvoor, bepalen we echter nog steeds zelf, in overeenstemming met onze cliënten.

Over de auteur: Kelly de Vries Social media en online hulpverlening in de (jeugd)zorg | workshops, trainingen, projecten | zzp’er | jeugdreclassering

Categories
Primair onderwijs

Filosoferen in het onderwijs

Geïnspireerd door filosoof Kristof van Rossem ben ik gestart met filosoferen met kinderen. ‘Filosoferen is een ambacht’, riep Kristof, en ‘het is geen vak’. Je kan het niet leren door er over te lezen, je leert het door te doen. Ik wilde dit ambacht ook gaan toepassen in mijn lesprogramma.

Één keer in de zes weken filosofeer ik met de kinderen uit mijn groep. Het filosoferen gebeurt gestructureerd en is vergelijkbaar met een reguliere les. Ik ben van mening dat er in het dagelijks onderwijs onbewust veel wordt gefilosofeerd door kinderen en leerkrachten. In een klas en tijdens lessen ontstaan er veel vragen. Het grote verschil tussen onbewust en bewust filosoferen zit in de aanbieding. Voor bewust filosoferen wordt tijd vrijgemaakt. Onbewust filosoferen is kinderen proberen regelmatig te laten nadenken over de vragen die ze hebben. Bijvoorbeeld de vraag: Waarom mogen de kinderen uit groep 2 langer buitenspelen dan wij? Zo’n soort vraag koppel ik regelmatig terug door hen zelf de vraag te stellen: waarom denk jij dat de kinderen uit groep 2 langer mogen buitenspelen? Ze moeten nadenken over een antwoord op hun eigen vraag. In mijn ogen is dat ook filosofie. Filosoferen hoeft namelijk niet altijd een goed antwoord op te leveren. Nadenken over een vraag kan kinderen namelijk ook inzicht opleveren, waardoor ze dit soort verschillen misschien beter gaan begrijpen.

‘Ze moeten nadenken over een antwoord op hun eigen vraag.’

Tijdens de filosofieles gaan we met zijn allen in de kring zitten. Ik herhaal voor elk gesprek de belangrijkste regel uit: alles wat je zegt is goed. In het midden van de kring zet ik een kaars neer. Wanneer ik de kaars aansteek begint het filosoferen en leg ik kinderen een vraag voor. Bijvoorbeeld: kan er een wereld bestaan zonder oorlog? De kinderen gaan het gesprek met elkaar aan met mij als gespreksleider. Ik wijs aan welke kinderen de beurt krijgen, vraag door op antwoorden en vat kort samen wat er gezegd wordt. Een kind mag mij corrigeren als mijn samenvatting niet klopt. Ook zorg ik ervoor als gespreksleider dat de leerlingen niet te veel afdwalen van de vraag. Een gesprek duurt hoogstens 20 minuten. Wanneer ik de kaars uitblaas stopt het filosoferen. Een gesprek heeft altijd een open einde, want tijdens de les gaan we niet op zoek naar absolute antwoorden: we gaan op zoek naar wat wij denken.

‘Ik filosofeer graag met kinderen, omdat we in een gesprek verwonderd raken.’

Ik filosofeer graag met kinderen, omdat we in een gesprek verwonderd raken. Verwonderd over hoe de wereld in elkaar zit. Grote levensvragen worden beantwoord door kinderlogica. Wij volwassenen kunnen van deze logica nog veel leren. Maar niet alleen ik leer van de gesprekken. Mijn leerlingen leren beter naar elkaar te luisteren en ontwikkelen een nieuwsgierige en onderzoekende houding. Ze leren dat een vraag niet is beantwoord met één antwoord, maar dat je kunt en mag doorvragen naar meer.

Over de auteur: Tjeerd Hilhorst (24 jaar) is leerkracht in groep 6, 7 en 8 van de Montessorischool in Wassenaar.

Categories
Jeugdzorg

Jongerenwerk in Midden-Drenthe

Het jongerenwerk heeft mij altijd al aangetrokken. Als puber en jong volwassene ben ik jaren betrokken geweest bij het plaatselijke jeugdwerk. Tijdens mijn opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH) ben ik mij verder gaan richten op de doelgroep jeugd. Mijn afstudeerproject bestond uit een preventiekoffer om jongeren op het voortgezet onderwijs te informeren over seksualiteit, grenzen, gezondheid en loverboys. Deze preventiekoffer is vervolgens ingezet op 21 scholen.

Als jongerenwerker bij Welzijnswerk leg ik contacten met jongeren in hun vrije tijd en probeer ik een vertrouwensrelatie met ze op te bouwen. Deze jongeren ontmoet ik op diverse plaatsen in de dorpen. Samen met hen kijk ik naar wat ze nodig hebben. Dit kan bijvoorbeeld een plek zijn waar ze elkaar als groep kunnen ontmoeten. Ook kunnen ze individueel bij mij terecht als ze vragen hebben over school of als ze in een lastige situatie terecht zijn gekomen. Ik leg verbanden tussen de leefwerelden van het gezin/thuis, de school, en de omgeving/buurt.

‘Eén gezin, één plan, één regisseur. Dat is het uitgangspunt en meteen ook de kracht van het Jeugdteam.’

Jeugdteam Smildes
Vanuit Welzijnswerk Midden-Drenthe neem ik ook deel aan het Jeugdteam Smildes. Dit Jeugdteam is in 2013 gestart als pilot, in voorbereiding op de transities in het sociaal domein. In het Jeugdteam Smildes zijn alle kernpartners van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) vertegenwoordigd. Het gaat hier om Maatschappelijk Werk Noordermaat, GGD Drenthe, de Toegang Bureau Jeugdzorg en Welzijnswerk Midden-Drenthe. Het Jeugdteam is een plek waar professionals, organisaties en verenigingen hun vragen neer kunnen leggen voor wat betreft opvoeden en opgroeien van kinderen/jongeren (0-23 jaar). Inwoners kunnen ook rechtstreeks naar ons toekomen met alle vragen die ze hierover hebben. Dit kan zowel om ‘lichtere’ als ‘zwaardere’ vragen gaan. Maar we wachten als Jeugdteam niet alleen tot er vragen binnen komen, we gaan daarnaast ook preventief aan de slag.

Eén gezin, één plan, één regisseur
Eén gezin, één plan, één regisseur. Dat is het uitgangspunt en meteen ook de kracht van het Jeugdteam. Wanneer er een vraag bij het Jeugdteam binnen komt, via welke weg dan ook, bespreken we de vraag in het team en wordt er één aanspreekpunt voor het gezin aangewezen. Ik merk dat we dankzij het werken in Jeugdteams een gezin vroegtijdiger ondersteuning kunnen bieden, zodat ze zelfstandig verder kunnen en/of we de juiste hulpverlening direct in het gezin kunt betrekken.

Een mooi voorbeeld voor mij was in een gezin waarbij ouders moeite hadden met het gedrag hun dochter van 10 jaar. Al vrij snel werd duidelijk dat ouders moeite hadden om hun regels te blijven hanteren en ook grenzen aan te geven. Door gesprekken en oefeningen staan deze ouders nu ‘steviger’ in deze vaardigheden.

Toekomst
Na het succes van Jeugdteam Smildes zijn er eind 2014 ook Jeugdteams gestart in Beilen en in Westerbork. Zelf werk ik nu anderhalf jaar binnen het Jeugdteam en ik merk dat mensen met lichte opvoedingsvragen ons ook beter weten te vinden. Mensen trekken eerder aan de bel. We kunnen zo gezinnen vroegtijdig handvatten bieden, zodat ze zelfstandig verder kunnen. In de toekomst wil ik graag de samenwerking met de diverse verenigingen, organisaties en inwoners verder verstevigen. Zodat iedereen een handje kan helpen en we nog eerder zaken kunnen signaleren.

Over de auteur: Natascha Maris werkt sinds 2009 is als jongerenwerker van Welzijnswerk Midden-Drenthe. Daarnaast is ze contactpersoon Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en maakt zij deel uit van het Jeugdteam Smildes. De website van Welzijnswerk Midden-Drenthe is www.welzijnswerkmd.nl.

Categories
Algemeen

Het belang van kennis over het lerende brein

We leren steeds meer over hoe het (jonge) brein leert. In een eerdere editie van KindVak Magazine spraken we bijvoorbeeld met professor Erik Scherder over het belang van de verrijkte omgeving. Maar een stimulerende leeromgeving vertelt niet het hele verhaal. Wat is het belang van kennis over het lerende brein voor professionals die voor de klas en de groep staan? En hoe kunnen zij deze kennis ook toepassen?

‘Met alles wat je doet in de interactie met kinderen oefen je invloed uit op de ontwikkeling van het brein’, zegt Hanni Bijl, orthopedagoog en medewerker onderzoek en innovatie bij de CED-groep. ‘Dus om te weten of je datgene wat je doet ook daadwerkelijk goed doet, is kennis over wat er in het brein gebeurt belangrijk. Wanneer professionals hier kennis over hebben, geeft dit handvatten om de ontwikkeling van het brein goed te stimuleren en daarop de juiste invloed op uit te oefenen.’

‘Met alles wat je doet in de interactie met kinderen oefen je invloed uit op de ontwikkeling van het brein.’

Verschillende leeftijden, verschillende aanpak
Bij jonge kinderen uit zich dit op een andere manier dan bij kinderen die al wat ouder zijn. Het schakelen tussen activiteiten kost bij jonge kinderen bijvoorbeeld veel meer tijd, bijvoorbeeld als een kind aan het spelen is en er vervolgens moet worden opgeruimd. Omdat het brein nog volop in ontwikkeling is, duurt het langer voordat die informatie in het brein overgedragen is. In de praktijk zouden professionals hier volgens Bijl bewuster mee om kunnen gaan. Volgens haar kan dit door bijvoorbeeld duidelijke schakelmomenten te creëren; zo help je het kind eigenlijk om hier mee om te gaan. ‘Vandaar dat er ook heel veel liedjes worden gezongen, zoals opruimliedjes of liedjes bij het eten en drinken’, aldus Bijl. ‘Daarmee geef je jonge kinderen dus eigenlijk een geheugensteuntje. Op het moment dat er een opruimliedje gezongen wordt weet het kind dus ook welk gedrag er van hem of haar verwacht wordt.’ Het brein van oudere kinderen is iets verder ontwikkeld, maar daar zie je, net als bij jonge kinderen, dat de zogeheten executieve functies zich nog niet volledig ontwikkeld hebben. Deze executieve functies zijn erg belangrijk bij het leren. Deze functies worden met name aangestuurd vanuit het voorste deel van je brein, de prefrontale cortex. Deze prefrontale cortex is pas rond het 20e à 25e levensjaar volledig ontwikkeld. ‘Dit betekent dat het belangrijk is dat de leerkracht het leerproces goed ondersteunt en laat verlopen. Hier kunnen didactische technieken een goed hulpmiddel voor zijn.’

‘Wanneer informatie verkeerd gekoppeld is in het brein, ontstaat er een misverstand.’

Wat kunnen professionals doen?
Bijl noemt als voorbeeld dat eerst voorkennis wordt opgehaald voordat nieuwe kennis wordt aangeboden. ‘Wanneer je nieuwe informatie biedt als leerkracht wordt dat door het kind verwerkt in het werkgeheugen. Om de nieuwe kennis op te slaan moet wel de juiste voorkennis in het werkgeheugen aanwezig en geactiveerd zijn. Dan wordt de nieuwe kennis namelijk veel steviger in het langetermijngeheugen opgeslagen.’ ‘Op het moment dat die juiste voorkennis niet aanwezig is, kunnen er twee dingen gebeuren: of de nieuwe informatie wordt als losse kennis opgeslagen, wat er voor zorgt dat het minder stevig wordt opgeslagen in het langetermijngeheugen en dus lastiger is om op te halen, of het wordt aan andere informatie gekoppeld, waardoor het kind in een hele andere richting gaat denken.’

Verkeerde koppeling
Als er iets tegen iemand gezegd wordt, dan roept dat associaties op bij die persoon in het langetermijngeheugen. Op het moment dat iemand iets tegen persoon A zegt kan dat iets heel anders oproepen bij persoon B. Wanneer informatie verkeerd gekoppeld is, ontstaat er een misverstand. Volgens Bijl zie je dergelijke misverstanden soms ook terug in het leerproces. Leerlingen zeggen dan dat ze de instructie hebben begrepen en gaan vervolgens aan de slag. En wanneer ze dan de opdracht moeten maken, komen ze erachter dat ze het helemaal niet begrepen hebben en kunnen dan ook de opdracht niet maken. ‘Ik hoor heel vaak dat leerkrachten hier tegenaan lopen’, aldus Bijl.

In het bovenstaande voorbeeld zou het zo kunnen zijn dat de juiste voorkennis niet of onvoldoende was geactiveerd bij de kinderen, waardoor nieuwe informatie niet goed verwerkt kon worden. Dan is het volgens Bijl belangrijk dat de leerkracht zichzelf de goede vragen stelt, zoals: Weten de leerlingen nu wel voldoende? Is de goede voorkennis wel actief? Kan de nieuwe kennis worden opgeslagen en gekoppeld aan de bestaande voorkennis? ‘Als leerkrachten zichzelf de goede vragen stellen, dan weten ze ook waar ze op moeten letten. Bovendien is het voor de leerkracht verklaarbaar wanneer het de kinderen niet zo goed lukt. Het is dus heel belangrijk dat leerkrachten weten waar ze op moeten letten en aan de reactie van kinderen af kunnen lezen of ze goed zitten.’

Visuele interactie
Daarnaast is het vanuit deze invalshoek ook belangrijk om het werkgeheugen van kinderen te ondersteunen met visuele informatie, bijvoorbeeld met dagritmekaarten. Als kinderen visueel kunnen zien wat er op een dag gaat gebeuren dan zijn ze daar enerzijds op voorbereid, maar anderzijds betekent dit ook dat ze deze informatie niet hoeven vast te houden in hun werkgeheugen.
In een ideale situatie kunnen professionals preventief nadenken over hoe ze het brein van het kind kunnen ondersteunen. Zo leren ze om de hulpmiddelen met een bepaalde context in kunnen zetten en kinderen daarmee kunnen helpen. ‘Dat kan bijvoorbeeld in het schakelen van activiteiten, dingen onthouden, dingen te begrijpen wat je bedoelt, te reageren op signalen, enzovoort’, zegt Bijl. Deze kennis kan dus vooraf al worden ingezet, in plaats van dat een professional reageert op wat er gebeurt, waardoor de ontwikkeling van het brein beter ondersteund wordt.

Over de auteur: Thom Roozenbeek is auteur van het boek ‘Pleidooi voor het kind’ en was redacteur van KindVak Magazine.

Categories
Jeugdzorg

Terug naar de bron

Eindelijk zomer en een zonnetje dat de natuur opwarmt. Warmte en een goede verzorging zijn de basis voor groei en ontwikkeling. En dat is voor kinderen niet anders.

Kinderen hebben een basis nodig in de thuissituatie en op al die andere plaatsen waar zij verblijven, zoals school, het kindercentrum, de sportclub, zwemles, enzovoort. De thuisbasis is de belangrijkste bron en helaas is die lang niet altijd vanzelfsprekend. Veel kinderen hebben te maken met ernstige problemen in die thuissituatie, en dan worden andere plaatsen belangrijker voor deze kinderen. De school of het kindercentrum is dan de tweede plek waar een basis gevonden kan worden. Problemen in de thuissituatie worden vaak veroorzaakt door psychiatrische, verslavings- of inkomensproblematiek of een verstandelijke beperking of een combinatie daarvan bij één of beide ouders of een ander gezinslid. Er zijn periodes waarin een wankel evenwicht is gevonden, maar soms is een geringe aanleiding genoeg om de situatie weer te doen exploderen. Kinderen groeien zo op in een voortdurende onvoorspelbare thuissituatie.

‘Door goed te kijken kunnen onderwijzers en pedagogisch medewerkers vroegtijdig signalen opvangen.’

De school of het kindercentrum is dan een andere belangrijke plek dat ook een basis kan bieden. Natuurlijk kan dit nooit een thuissituatie vervangen maar kan wel een positieve invloed hebben op de ontwikkeling van deze kinderen in de knel. Scholen en kindercentra worden vaak aangemerkt als vindplaats voor deze kinderen. Maar een school of kindercentrum is veel meer dan alleen een vindplaats. Het gaat daarbij om het pedagogisch klimaat dat positief stimulerend kan zijn. Een plaats ook van verbinding met kinderen en volwassenen in een ontspannen sfeer waar kinderen zich kunnen ontplooien. En er kan op deze plekken nog meer geboden worden. Door goed te kijken kunnen onderwijzers en pedagogisch medewerkers vroegtijdig signalen opvangen. Belangrijk is dat dit signaleren leidt tot gerichte acties door met het kind te spreken en contact te zoeken met de ouders. En dat is niet eenvoudig, want dit soort contacten behoren niet direct tot de core business van deze professionals, en vragen een bepaald soort vaardigheid en houding om in contact te kunnen komen. Voor kinderen kan dit contact een wereld van verschil maken; te weten dat er mensen zijn die jou zien, jou aandacht geven en je kunnen steunen in tijden dat het moeilijk is.

‘Hoe mooi zou het zijn als er een structurele verbinding gelegd zou worden tussen deze hulpverleners en daar waar de kinderen zijn.’

In deze gezinnen zijn ook vaak andere professionals betrokken vanuit de zorg- en hulpverlening, zoals jeugdzorg, maatschappelijk werk, jeugdgezondheidszorg of de geestelijke gezondheidszorg en andere vormen van hulpverlening. Doel is te komen tot een meer integrale aanpak waarbij deze organisaties samenwerken in een keten, in een centrum voor jeugd en gezin, een wijkteam of een sociaal team. Daarbij brengen zij hun eigen expertise in op een deel van de complexe situaties in gezinnen. Nog lang niet in alle situaties wordt er goed samengewerkt met de plaatsen waar de kinderen een groot deel van de week verblijven. Ik zou er voor willen pleiten dat al die hulpverleners veel toegankelijker worden ingezet en een gezicht en een naam hebben, waar kinderen, ouders, leerkrachten of pedagogisch medewerkers makkelijk op af kunnen stappen. Hoe mooi zou het zijn als er een structurele verbinding gelegd zou worden tussen deze hulpverleners en daar waar de kinderen zijn. Professionals met een bekend gezicht in school en het kindercentrum, waar laagdrempelig direct contact kan worden gelegd en waardoor ook de leerkrachten en pedagogisch medewerkers direct ondersteuning kunnen krijgen indien zij lastige gesprekken moeten voeren of gewoon even willen sparren over een lastige situatie. Daar aansluiten waar de kinderen zijn en zo dicht bij de bron aanwezig zijn om kinderen dat te bieden wat zij nodig hebben. Heel anders dus dan een 0800-nummer, een website of een loket op het gemeentehuis of andere openbare plaats.

Over de auteur: Maria Bolt is voormalig bestuurder in de kinderopvang, manager in de jeugdzorg en heden zelfstandig adviseur en projectleider vanuit Bolt&BO.

Categories
Primair onderwijs

Nepnieuws in de klas: kinderen kritisch laten kijken naar wat zij lezen op internet

Nepnieuws is overal. In kranten en op tv lezen en horen we bijna iedere week wel over het groeiende probleem van misleidende informatie, vooral op het internet. Zo zou nepnieuws hebben bijgedragen aan de overwinning van Donald Trump in de Amerikaanse presidentsverkiezingen afgelopen november. Ook kinderen zitten op het internet en krijgen dus te maken met informatie die een hoop verwarring kan veroorzaken. Hoe pak je dit aan in de klas?

Kinderen komen steeds vroeger met het internet in aanraking. Al op zeer jonge leeftijd spelen ze spelletjes online en chatten ze met hun vriendjes. Het internet is zo met onze samenleving verweven geraakt dat het onzinnig is om dit te willen voorkomen. Kinderen gaan online, of volwassenen dat nu willen of niet. Het is vooral zaak om ze goed beslagen ten ijs te laten gaan.

‘Nieuws kunnen toetsen op betrouwbaarheid is een belangrijke 21st century skill’

Ook in de klas is het internet in opkomst in de vorm van digitaal leren. Waar je je twintig jaar geleden nog moest behelpen met een typcursus en een uurtje ICT-les per schooljaar, zijn er tegenwoordig hele lesprogramma’s online te volgen. De zogeheten Steve Jobs-scholen werken bijna volledig met tablets als een vorm van gepersonaliseerd leren. Scholen gaan op deze manier met de tijd mee. Dat moet ook wel. Steeds meer vaardigheden die we in de toekomst nodig zullen hebben, hebben te maken met het internet. Mensen die kennis hebben van programmeren kunnen vandaag de dag gemakkelijk een baan vinden. Dit is één van de ‘21st century skills’ die de overheid en andere organisaties hebben aangewezen als uitermate belangrijk.

Maar misschien nog wel belangrijker is de vaardigheid om de stortvloed aan informatie die op kinderen (en volwassenen) afkomt op het internet te kunnen beoordelen op betrouwbaarheid. De term ‘nepnieuws’ hoor je tegenwoordig erg vaak, misschien wel iets te vaak. Maar feit blijft dat misleidende informatie, clickbait en regelrechte leugens zich op het internet makkelijk verspreiden. Dit is een probleem waar iedereen mee te maken heeft. Maar jong geleerd is oud gedaan. Kinderen vroeg leren hoe je foute informatie herkent is later van groot praktisch nut. Maar hoe doe je dat precies?

Actief nadenken
Een lastig vraagstuk dat me de laatste tijd nogal bezighoudt. Ik werk sinds kort als promovendus op het gebied van media, propaganda en (jawel!) ook nepnieuws. Sinds de zomer van 2016 werk ik ook mee aan een project, DROG, dat precies dit vraagstuk probeert op te lossen. Ons idee is de zogeheten Propagandagame. Spelers kiezen een personage (bijvoorbeeld een complotdenker of clickbaitboer), en op basis van de doelen en wensen van dit personage maken ze een artikel dat lezers probeert te overtuigen van hun kant van het verhaal. Zo denk je als speler heel actief na over de verschillende manieren waarop je informatie kan gebruiken om je publiek te misleiden: door dingen weg te laten, te overdrijven, of door ronduit te liegen.

De game is momenteel in ontwikkeling en zal in de loop van de zomer online komen te staan. Maar een spelletje is niet genoeg. Goede, educatieve lesprogramma’s blijven nodig om deze essentiële ‘21st century skill’ onderdeel te maken van het pakket aan vaardigheden dat de nieuwe generatie met zich meedraagt.

Auteur: Jon Roozenbeek

Categories
Kinderopvang

Werkt VVE dan toch? De roep om integrale VVE wordt steeds luider

Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) is één van de belangrijkste middelen die we hebben om vroege leer- en taalachterstanden tegen te gaan. Maar er is ook veel kritiek: de huidige VVE-methodes zouden nauwelijks effect hebben, zeker als er geen sprake is van afstemming tussen VVE en groep 1 van de basisschool.

De voorschool kan beter
Dit wordt bevestigd door de Organisatie voor Europese Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in een recent rapport over de staat van het Nederlandse onderwijs. Over het algemeen, zo schrijven de auteurs, presteert het Nederlandse onderwijsbestel uitstekend ten opzichte van andere OESO-landen. Met name de inzet en kwaliteit van leerkrachten en de mogelijkheden voor innovatie worden geroemd.

Toch zijn er ook verbeteringen nodig. Het eerste verbeterpunt dat genoemd wordt is VVE. Het rapport vermeldt:

“Early childhood education and care (ECEC) can have extensive benefits, particularly for disadvantaged children. This review recommends that the quality of general ECEC services should be strengthened through the development of a curriculum framework, and by improving and standardising the qualifications and training of ECEC staff. At the same time, the review argues that the Netherlands should move towards a more integrated approach to ECEC provision.”

Met deze roep om meer integrale VVE-diensten volgt de OESO de aanbevelingen van prominente Nederlandse organisaties en individuen, zoals de PO-Raad, de Sociaal-Economische Raad, hoogleraar Ruben Fukkink en de regiegroep Kindcentra 2020.

De politiek reageert
Ondanks deze ogenschijnlijke eensgezindheid over de noodzakelijke VVE-hervormingen blijven sommige politici achterlopen. Zo presenteerde Staatssecretaris van OCW Sander Dekker onlangs de resultaten van een groot onderzoek door het Centraal Planbureau (CPB) naar de effectiviteit van VVE. Het rapport concludeert dat risicokinderen die VVE hebben ontvangen in groep 1 en 2 minder vaak blijven zitten dan kinderen die geen VVE hebben gehad. In tegenstelling tot wat eerder onderzoek heeft uitgewezen heeft VVE volgens dit jongste onderzoek dus wel degelijk nut. Wel is de educatieve kwaliteit van het VVE-aanbod volgens het rapport voor verbetering vatbaar.

Dekker is blij met deze conclusies en heeft 4,7 miljoen euro per jaar vrijgemaakt voor kleine gemeenten om de basisvoorwaarden voor de kwaliteit van VVE te verhogen en de kennis en kwaliteiten van pedagogisch medewerkers te vergroten.

Dekker beantwoordt hiermee aan het eerste deel van het OESO-advies, maar negeert zijn eigen belofte om ook te reageren op de roep om integrale VVE. Dit terwijl Dekker wel met regelmaat spreekt over de noodzaak om knellende regelgeving die de integratie van kinddiensten belemmert te schrappen (wat integrale VVE gemakkelijker zou maken). Bovendien stemde zijn partij (de VVD) tegenstrijdig genoeg afgelopen december tegen de motie-Yücel, die het aanbieden van opvang en onderwijs vanuit één organisatie mogelijk moet maken.

Inconsistentie
Er is, kortom, weinig consistentie te ontdekken in het beleid dat Dekker voor ogen staat: aan de ene kant spreekt hij openlijk over het belang van de versoepeling van regelgeving en de inzet van integrale VVE, en belooft hij aan de adviezen van experts tegemoet te komen. Aan de andere kant komt er weinig van deze beloftes terecht en vertalen zijn woorden zich naar een beleid dat slechts op één poot hinkt.

Investeringen in de kwaliteit van het huidige VVE-aanbod zijn uiteraard belangrijk, maar ze raken de rand van het doelwit in plaats van de roos. De meest effectieve maatregel die het kabinet op dit moment kan nemen om het achterstandenbeleid een impuls te geven is simpelweg het bevorderen van integrale VVE. Het werkveld en vrijwel heel politiek Den Haag zijn er klaar voor; laten we dus eindelijk deze stappen vooruit gaan zetten.

Auteur: John Roozenbeek

Categories
Algemeen

Wat moeten we zonder ze? De vrijwilligers van het onderwijs, de kinderopvang en de jeugdzorg

Ze zijn vaak onmisbaar maar lang niet altijd even zichtbaar voor iedereen: de vrijwilligers op school en de opvang. Wat drijft deze mensen?

Mariska Lueks (53)
werkt 24 uur per week als psychiatrisch verpleegkundige en sinds drie jaar één ochtend per week als vrijwilliger bij basisschool Atalanta in Heerhugowaard.

‘Deze school, waar destijds mijn zoon ook op zat, heeft op een gegeven moment een onvoldoende gekregen van de inspectie. Ik liep er toen als moeder al een jaartje of zeven rond en wist wat ze hadden meegemaakt als jonge, net startende school. Veel zwangerschappen, veel wisselende leidinggevenden, gedonder met bestuur en tot overmaat van ramp een jonge juf die overleed. Ik heb ze toen aangeboden om één dag per week te komen helpen, zodat zij meer armslag hadden om die onvoldoende op te kunnen krikken. Het maakte mij niet uit wat ik moest doen. Ik ben toen begonnen met leesondersteuning. Nieuwe materie voor mij waar ik me in heb bekwaamd. Later ben ik ook kinderen met vormen van autisme, achterstand op sociaal-emotioneel gebied gaan begeleiden. Ik zie vooruitgang binnen het groepje waarmee ik werk. De kinderen vertrouwen me en ik heb het gevoel dat ik ertoe doe.
Ik ben een opleiding gaan doen om wat meer kennis en verdieping te verkrijgen in mijn vrijwilligerswerk. Afgelopen zomer heb ik mijn diploma Coach Taalonderwijs en Dyslexie behaald en ik ga binnenkort starten met weer een nieuwe opleiding.
De school wil me gaan betalen, maar daar zit ik niet op te wachten. Ik krijg zoveel energie van mijn werk, dat ik het tóch wel doe.

Collega Aranka, intern begeleider, over Mariska:

‘We zijn blij met Mariska. Ze ontlast de leerkrachten en geeft de kinderen de begeleiding die zij nodig hebben. Mariska is heel enthousiast en betrokken. Door haar eigen achtergrond kan zij goed praten met kinderen waardoor zij ons een interessante andere kijk op het kind geeft. De kinderen vinden het fijn om bij haar te zijn.’

Nathalie de Wolff (49)
werkte 5,5 jaar als vrijwillige conciërge op OBS Passe-Partout in Rotterdam. Sinds kort wordt ze betaald.

‘‘s Ochtends doe ik de deuren open en sta ik bij de balie om iedereen te verwelkomen. ‘s Middags sluit ik af. De hele dag loop ik door de school om van alles op te lossen. De ene keer is dat rollen aanvullen en kopieerwerk, de andere keer een leerkracht ondersteunen.
Ik kwam 5,5 jaar geleden op Passe-Partout terecht voor een stage van drie maanden tijdens mijn cursus tot administratief medewerkster. Ik werd meteen als volwaardig collega beschouwd en vond het zo leuk, dat ik bleef.
Sinds kort heb ik een contract voor 24 uur, maar ik blijf vaak langer. Ik kan moeilijk naar huis gaan en als ik eenmaal bezig ben, maak ik iets af. ‘Wat moeten jullie zonder me?’ vraag ik weleens voor de grap aan collega’s. ‘Dat zouden we niet weten!’, roepen ze dan volmondig. Ik word gewaardeerd in mijn aanwezigheid en mijn werk. Alle kinderen weten precies wie ik ben en ik durf te beweren dat ik van bijna iedereen de namen weet.’

Marrigje, ouder, over Nathalie:

‘Vraag je kinderen wie de baas is, dan zeggen zij ‘juf Nathalie’. Nathalie staat altijd voor kinderen en ouders klaar. Een voorbeeld: laatst was mijn zoon zijn luizenzak op het schoolplein verloren. Wij terug naar school, juf Nathalie had ‘m al gevonden en wilde de zak naar de klas brengen. Want ja, er zitten maar een paar kinderen met de naam Stijn op school, dus zij zou wel even uitzoeken welke Stijn zijn luizenzak kwijt was. Nathalie weet en regelt veel. Kinderen, maar ook ouders, kunnen met hun vragen bij juf Nathalie terecht.’

Iris den Hengst (30)
heeft een sociaal pedagogische achtergrond en werkt sinds drie jaar vijf ochtenden en een middag per week als vrijwilliger bij een peutercentrum in Arnhem.

‘’Ben je vrijwilliger?’, vragen mensen wel eens verontwaardigd. Veel denken dat ik een vaste kracht ben. Na een reorganisatie werd mijn vaste contract als pedagogisch medewerker beëindigd en daarna ben ik er een tijdje uit geweest. Om mijn werk weer rustig op te bouwen ben ik vrijwillig als peuterleidster gaan werken. Het contact met de kinderen en het werken in teamverband vind ik geweldig. Ik heb mijn zelfvertrouwen terug. Uiteindelijk hoop ik dat ik dit werk weer betaald kan gaan doen. ‘Er zijn weinig vrijwilligers die zo trouw zijn en zich zo inzetten’, zeggen mijn collega’s. Dat doet me goed. Ik ga met een lach naar mijn werk en kom met een lach weer terug.

Collega Ingrid, pedagogisch medewerker, over Iris:

‘Toen Iris begon als vrijwilliger, was ik in eerste instantie wat afwachtend. Onze vorige vrijwilligers kwamen vaak te laat of soms helemaal niet. Maar Iris is anders. Zij voelt zich heel erg verantwoordelijk en denkt echt mee. Ze is lief en betrokken naar de kinderen en de ouders toe en heel behulpzaam. Ik ben echt blij met haar en baal er voor mijzelf nu al van dat er een dag komt dat ze ‘verder’ gaat. Al gun ik haar van harte dat ze een leuke en betaalde baan vindt!’

Over de auteur: Emma Verweij was journalist bij KindVak Magazine.

Categories
Jeugdzorg

Doe als eerste geen kwaad in de Jeugdzorg

We schuiven te vaak met kinderen en hulpverleners met vaak ernstige – en langdurige – gevolgen voor de ontwikkeling van kinderen die van instelling naar instelling zwerven. Gemeentelijke Jeugdzorg zou kinderen moeten helpen en de gevolgen van verwaarlozing, misbruik en mishandeling niet erger maken.

In de transitie van de jeugdzorg van provincie naar gemeente hebben we de zorg voor jeugd (waaronder de jeugdhulp) flink op de schop genomen: alles zou beter (en goedkoper) worden. Dat er in werkelijkheid veel onzekerheid is en soms leed ontstaat, nemen we op de koop toe. Kinderen en medewerkers weten nu vaak niet wat de dag van morgen brengt. Uitgezonderd vertrekkend kinderombudsman Marc Dullaert lijken weinig mensen zich te zorgen maken over wat deze veranderingen en onzekerheid doet met kinderen die afhankelijk zijn van onze zorg. Hetzelfde geldt voor de medewerkers waarvan deze kinderen afhankelijk zijn. De nadelige gevolgen van de transities zouden wel eens jarenlang negatieve effecten kunnen hebben, en gaan de gemeenschap veel geld kosten en problemen opleveren.

‘Als kinderen van opvang naar opvang worden geschoven is dat niet ‘thuis’, ook al denken beleidsmakers anders.’

We weten dat kwetsbare kinderen een band (werkalliantie) kunnen opbouwen met hulpverleners en andere betekenisvolle personen in hun omgeving. Wanneer zo’n persoon (denk bijvoorbeeld aan een gezinsvoogd, een groepsleider of een pleegouder) wegvalt, geeft dat veel stress bij het kind. Zeker als het al andere mensen in zijn of haar leven kwijtgeraakt is.
Zorgorganisaties en gemeenten schuiven in het proces van transitie nogal eens met kinderen en medewerkers: leefgroepen worden opgeheven, scholen voor speciaal onderwijs sluiten, organisaties fuseren, voogden verdwijnen en Bureau Jeugdzorg is in veel gemeenten op de schop gegaan. Het vernieuwde bureau noemt zich vaak ‘Veilig Thuis’. De vraag is voor wie het veilig is en voor wie thuis. Wanneer kinderen veel wisselende hulpverleners krijgen is het niet veilig. Als kinderen van opvang naar opvang worden geschoven is dat niet ‘thuis’, ook al denken beleidsmakers anders. We staan er kennelijk niet bij stil welke invloed de transitie heeft op kinderen.

De praktijk
Veel problemen beginnen klein in de Jeugdzorg. Ik werd laatst geconfronteerd met een pleegkind wiens gedrag thuis en op school plotseling zonder aanwijsbare reden aanzienlijk verslechterde. De school vroeg zich hardop af of het kind nog wel te handhaven was. Psychologen en intern begeleiders gingen zich ermee bemoeien. Een overplaatsing dreigde, het stressniveau bij het kind steeg. Wat bleek er aan de hand? De gezinsvoogd zou binnenkort vertrekken in verband met een reorganisatie. Dientengevolge was Karel steeds meer aan de dood van zijn moeder gaan denken. Hij was bang geworden dat hij misschien ook uit het zijn pleeggezin weg zou moeten.

‘In ons onderzoek kwam ik een jongen tegen die in twee jaar in 42 instellingen had verbleven.’

Hoe gaat dat verder?
Uit ervaring weet ik dat dit het begin kan zijn van veel meer overplaatsingen voor het kind. Bij iedere overplaatsing geeft dat kind zichzelf weer bewust of onbewust de schuld van de mislukking. Kinderen internaliseren dat ze niet deugen en verharden daardoor. Zo komt het contact met nieuwe hulpverleners nog moeizamer of helemaal niet meer tot stand en er is in het contact met anderen steeds meer sprake van agressie en uitsluiting. Hulpverleners labellen het kind dan als antisociaal en met dat predicaat zwerven ze van instelling naar instelling. Misschien denkt u dat dit overdreven is, maar in ons onderzoek kwam ik een jongen tegen die in twee jaar in 42 instellingen had verbleven; op het laatst wilde hij alleen nog maar in de isoleer slapen.

‘Geef hulpverleners de kans om een duurzame band met kinderen op te bouwen.’

In Nederland gaat het al lang niet meer alleen om adolescenten.
Vorig jaar werd ik betrokken bij een advies over een toen zesjarig meisje dat al in tien instellingen had gezeten. Overal werd ze weggestuurd wegens extreem agressief gedrag. In het gezinshuis, waar ze in was beland stonden echter twee zeer sterke en gemotiveerde gezinshuisouders. Gezinshuismoeder en -vader waren vooral gemotiveerd om het meisje niet meer te laten gaan. En hun vasthoudendheid miste zijn uitwerking niet. Na zware maanden voor alle betrokkenen (die dagelijks met krab- en bijtwonden en bulten rondliepen), begon Lynda’s gedrag langzaam te verbeteren. Haar extreme gedrag wees op trauma’s in het verleden. In het gezinshuis leerden medewerkers haar gedrag ‘te lezen’ en er mee om te gaan. De kern van haar herstel was dat ze langzaam begreep dat niet meer weg zou worden gestuurd. Op dit moment komen er weer vriendinnetjes spelen, ze gaat stapje voor stapje weer naar school. Ze kan steeds beter met andere mensen omgaan. Gemotiveerdheid en vasthoudendheid zorgden voor een klein wondertje van herstel.

Dit positieve voorbeeld, in een tijd met veel ‘crisisproblematiek’, resulteerde in een nieuw concept: ‘Gezinshuis Plus’ een veilig thuis voor kinderen die nergens meer terecht kunnen. Kern van dit concept is: kinderen niet meer wegsturen.

De eerlijkheid gebied te zeggen dat dit concept niet nieuw is.
Een klein groepje zwaar getraumatiseerde oorlogswezen uit het Nazi-kamp Theresienstadt werd in 1946 op het landgoed Bulldogs Bank door Anna Freud (de dochter van Sigmund) en Sophie Dann opgevangen. De twee vrouwen en hun assistent John Bowlby (de grondlegger van de hechtingstheorie) zijn vast vaak gekrabd, gebeten en geslagen. Maar hun vaste overtuiging om niet op te geven heeft er uiteindelijk toe geleidt dat de kinderen langzaam weer leerden volwassenen te vertrouwen en ze uiteindelijk goed terecht kwamen.

Vertrouwen is de kern
Hoe liep het af met de jongen die in 42 verschillende instellingen verbleef? Uiteindelijk kwam ook hij terecht bij hulpverleners in Amsterdam die contact met hem kregen en hem verder konden helpen. Zijn agressieve gedrag is nu verdwenen, iets wat verder leren mogelijk maakt.

De kern van hulpverlening was, is en blijft het opbouwen van contact en vertrouwen. Vertrouwen komt echter te voet en gaat te paard. Daar houden we te weinig rekening mee in het proces van transitie van de Jeugdzorg. We schuiven te vaak met kinderen. Geef hulpverleners de kans om een duurzame band met kinderen op te bouwen.
Gemeenten die zich deze kern van hulpverlening onvoldoende realiseren zullen uiteindelijk voor veel hogere kosten, inclusief geweld en criminaliteit op straat, komen te staan. We kunnen niet voor een dubbeltje op de eerste rang zitten als het gaat om kwetsbare kinderen. Goedkoop is in de Jeugdzorg op lange termijn altijd duurkoop. Mijn proefschrift uit 2012 heb ik ‘First Do No Harm’ genoemd: ‘doe als eerste geen kwaad’. Dat motto (de belofte die beginnend artsen afleggen), zou nog steeds een belangrijk uitgangspunt voor de gemeentelijke Jeugdzorg moeten zijn.

Over de auteur: Peer van der Helm is lector bij het Expertisecentrum Jeugd aan de Hogeschool Leiden.

Categories
Algemeen

Interview met neuropsycholoog Jelle Jolles over wat iedere kindprofessional zou moeten weten

Neuropsycholoog Jelle Jolles is universiteitshoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij houdt zich bezig met de relatie tussen hersenen en gedrag. Door toegepast wetenschappelijk onderzoek probeert hij bij te dragen aan verbetering van onderwijs en opvoeding, en kennis over te dragen naar de praktijk. In dit kader schreef hij het boek: ‘Het tienerbrein. Over de adolescent tussen biologie en omgeving’, waarin hij neuropsychologische inzichten beschrijft die iedere ouder en professional die met kinderen werkt zou moeten weten. KindVak Magazine sprak hem over deze neuropsychologische inzichten.

In hoeverre zou kennis over de relatie tussen hersenen en gedrag beter kunnen worden toegepast?
Er zijn veel ‘neuromythen’ in omloop, zoals over linker- en rechterhersenhelft of over leerstijlen. Dat zijn schadelijke visies, die strijdig zijn met wat we weten van de hersenfunctie. Mijns inziens is het belangrijkste dat we begrijpen waar die hersenen eigenlijk voor zijn. Die zijn om informatie te verwerken en te zorgen dat we kunnen functioneren in een veranderende wereld. Maar ‘de auto moet nog wel ingereden worden’: de persoon moet gedurende bijna 25 jaar kennis en ervaringen opdoen om de ingebouwde hersenprogramma’s tot ontwikkeling te brengen. Door interactie met de omgeving komt de persoon tot optimale ontplooiing. Als we dat ons realiseren (en het feit dat de omgeving nodig is voor die hersenrijping) dan zijn we al erg ver. Omdat iedereen dan op zijn vingers kan natellen dat er steun, sturing en inspiratie uit de omgeving (ouders, leraren, sport- en muziekcoaches e.d.) nodig zijn.

‘Er zijn veel ‘neuromythen’ in omloop, zoals over linker- en rechterhersenhelft of over leerstijlen.’

Welke verbeteringen zijn voorhanden?
Kennis en inzichten. Dat is het belangrijkste. Ik noem er veel in mijn nieuwe boek. Mijn boek is dan ook vooral ook bedoeld als een soort ‘psycho-educatie’: meer inzichten en kennis voor ouders, leraren e.d. zorgt ervoor dat ze beter begrijpen wat er met kind en tiener speelt, en kunnen daardoor adequater reageren. De techniek komt uit de klinische neuropsychologie en wordt veel in de patiëntenzorg gebruikt. Ik hoop van harte dat mijn boek kan helpen om in de leemte te voorzien: mijns inziens zijn er zoveel neuromythen in omloop omdat er te weinig mogelijkheden zijn voor het publiek maar ook professionals om goede informatie ergens vandaan te halen. Dus je vraag naar ‘verbeteringen’ beantwoord ik kernachtig met ‘ouders en leraren zelf’ maar ze moeten wat anders doen dan ze nu meestal doen. Dat anders is vooral door meer gericht te zijn, meer te inspireren, meer voorwaarden te scheppen, meer tijd en emotie erin te stoppen, meer betrokken te zijn en meer feedback te geven. Ik zeg: ‘de tiener is werk in uitvoering. Dat betekent actieve support van ouders en school.

‘Het woord ‘impulsief’ valt heel goed te leren aan een tienjarige.’

Kunt u een voorbeeld noemen wanneer ouders en leraren anders zouden moeten handelen?
Neem bijvoorbeeld een jongen van een jaar of 10 die goed is in taal, die goed kan plannen en die luistert naar wat de juffrouw zegt. Die kinderen hebben vaak een labeltje ‘hoogbegaafd’, omdat ze toevallig goede cijfers hebben. Het hoeft niet zo te zijn dat die een veel hoger IQ hebben, ze zijn simpelweg beter in taal. Vaak zie je dat die kinderen minder goed zijn in sociaal inzicht en ruimtelijke en andere vaardigheden. Tegelijkertijd zijn er ook veel kinderen bij wie het andersom geldt; kinderen die ravotten en die een beetje impulsief zijn. Vaak zijn die kinderen wat minder in hun schoolse vaardigheden, terwijl dit niet per se iets zegt over hun intelligentie. De slechte cijfers worden dan veroorzaakt door een nog fluctuerende aandacht, door de impulsiviteit van het kind die nog samenhangt met diens hersenrijping. Zo’n jongen kun je heel goed trainen in zelfinzicht. Je kunt hem situaties laten herkennen: wanneer heb ik meer last dat ik te snel reageer en wanneer minder? Het woord ‘impulsief’ valt heel goed te leren aan een tienjarige. En hij kan leren ‘STOP’ te zeggen tegen zichzelf. Dan heeft het kind dus een handvat om zijn eigen gedrag te controleren. Ouders en leraren denken in zo’n situatie vaak: laten we hem maar niet extra belasten met deze informatie, terwijl in feite het tegenovergestelde wenselijk is.

‘Als je aan ouders leert hoe hun tiener in elkaar zit, dan kun je leren hoe ze met mogelijke problemen om kunnen gaan.’

Wat is er dan nodig om zulke inhoudelijke kennis in het onderwijs te implementeren?
Een attitudeverandering. Leraren zullen moeten inzien dat kinderen uit zichzelf nieuwsgierig zijn. Nieuwsgierigheid kan lastig zijn voor een leraar. Namelijk als je een klas van 30 kinderen hebt, en er zijn 20 nieuwsgierig, dan is dat praktisch gezien lastig. Toch moeten leraren inzien dat het niet erg effectief is als er wordt gezegd: ‘nu moeten jullie allemaal je mond houden, want ik ben aan het woord’. Je kunt door je gedrag als leraar op school de natuurlijke nieuwsgierigheid van kinderen onderdrukken, terwijl dit juist gestimuleerd zou moeten worden. Dat betekent ook dat leraren een manier zullen moeten vinden op juist niet de nieuwsgierigheid af te kappen, maar die te gebruiken voor de natuurlijke leerbehoefte van kinderen. Dat is lastig, want die behoefte is anders dan dat wat wij nu in het onderwijs aan onze kinderen opleggen. Hier zou ik nog aan willen toevoegen dat de manier waarop de leraar naar het kind kijkt ook erg belangrijk is, de zogeheten ‘teacher perceptions’. We weten dat de opvatting die een leraar kan hebben van de leerling soms echt onjuist is. Zo werd er bijvoorbeeld gedacht dat meisjes minder goed zijn in wiskunde dan jongens, terwijl we nu vanuit de wetenschap weten dat dat niet klopt: ze hebben beide de potentie maar meisjes lopen hierin in de ontwikkeling iets achter op jongens net zoals jongens achterlopen in taalvaardigheid. De manier waarop een leraar naar zijn/haar kinderen kijkt is veranderbaar, door de leraar begrip te geven in hoe het lerende kind in elkaar zit. Daar pleit ik dan ook sterk voor.

En hoe zit het met ouders?
En hoe zit het met ouders? Ook zou ik graag zien dat de kennis en inzichten die ik in mijn boek beschrijf bij ouders belanden. Als je aan ouders leert hoe hun tiener in elkaar zit, dan kun je leren hoe ze met mogelijke problemen om kunnen gaan. Neem bijvoorbeeld ouders die zeggen dat hun kind niet meer goed luistert, dat hij vriendjes heeft die 2 à 3 jaar ouder zijn en dat ze het gevoel hebben dat hun zoon al bijna het huis uit is. Het duurt nog maar liefst 10 jaar voordat hun zoon volwassen is en zijn gedrag valt te verklaren vanuit de rijping van zijn hersenen. Een veertienjarige heeft namelijk alleen maar interesse in zijn peer-groep. Dus de interesses die hij heeft horen bij zijn brein. Dat betekent niet dat ouders geen mogelijkheden hebben om interesses bij hun zoon aan te wakkeren, integendeel. Ze kunnen bijvoorbeeld heel veel doen met de zich ontwikkelende denk- en redeneervaardigheden van hun kind. Maar daarvoor is het wel nodig dat ouders over de juiste informatie beschikken, en ik hoop dat mijn boek daaraan een bijdrage levert.

Over de auteur: Thom Roozenbeek was redacteur bij KindVak Magazine en is nu freelance journalist.